ECLI:NL:CRVB:2003:AF5190

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 januari 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/4193 NABW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Th.G.M. Simons
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 76 Abw
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Curator heeft belang bij besluit over overlijdensuitkering Algemene bijstandswet

Appellant, benoemd tot curator over de onbeheerde nalatenschap van een overledene die een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet ontving, verzocht de overlijdensuitkering over te maken op de nalatenschapsrekening. Gedaagde wees dit verzoek af, waarna appellant bezwaar maakte en beroep instelde.

De rechtbank oordeelde dat de overlijdensuitkering niet tot de nalatenschap behoort en dat de curator daarom geen belanghebbende is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk en vernietigde het besluit deels.

De Centrale Raad onderschrijft dat de overlijdensuitkering toekomt aan de echtgenoot en niet aan de nalatenschap, maar stelt dat de curator wel belanghebbende is omdat een positief besluit een bate aan de nalatenschap zou toevoegen. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep ongegrond omdat de aanvraag niet mede namens de weduwe is gedaan, en bepaalt dat de gemeente het betaalde griffierecht vergoedt.

Uitkomst: Het beroep van de curator wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak vernietigd.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
01/4193 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant q.q.,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op de bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 20 juni 2001, reg.nr. 00/8901 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 17 december 2002, waar appellant - met voorafgaande kennisgeving - niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door H. Evink, werkzaam bij de gemeente Lelystad.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
[naam overledene] (hierna: [naam overledene]) ontving een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). In 1998 is [naam overledene] overleden.
Bij beschikking van de rechtbank Zwolle van 4 augustus 1999 is appellant benoemd tot curator over de onbeheerde nalatenschap van [naam overledene]. Op 21 maart 2000 heeft appellant, in zijn hoedanigheid van curator, gedaagde verzocht de overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 76 van Pro de Abw, over te maken op de rekening van [naam overledene]. Bij besluit van 26 juni 2000, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 oktober 2000, heeft gedaagde dit verzoek afgewezen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling omtrent het griffierecht - het door appellant tegen het besluit van 24 oktober 2000 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het bezwaar tegen het besluit van 26 juni 2000 alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan ligt ten grondslag het oordeel dat de overlijdensuitkering niet tot de nalatenschap behoort, zodat de curator in dezen geen taak heeft en daarom niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden aangemerkt. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat appellant de uitkering (mede) namens de weduwe van [naam overledene] ([naam weduwe]) heeft aangevraagd. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat voor een veroordeling van gedaagde in de proceskosten van appellant geen aanleiding is, onder meer omdat geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Appellant kan zich met de aangevallen uitspraak niet verenigen.
De Raad overweegt het volgende.
De Raad onderschrijft op zichzelf het oordeel van de rechtbank dat een overlijdensuitkering als bedoeld in artikel 76 van Pro de Abw, die immers - voorzover hier van belang - toekomt aan de andere echtgenoot en niet aan de overledene zelf, geen deel uitmaakt van de nalatenschap. Anders dan de rechtbank verbindt de Raad daaraan echter niet de conclusie dat de curator over een onbeheerde nalatenschap die heeft verzocht een dergelijke uitkering - of enig ander bedrag - te betalen aan die nalatenschap, geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb zou zijn. De nalatenschap heeft immers op zichzelf belang bij een besluit omtrent een dergelijk verzoek, nu een positief besluit ertoe zou leiden dat een bate aan de nalatenschap wordt toegevoegd. In het onderhavige geval heeft gedaagde dan ook terecht een inhoudelijk besluit op het verzoek genomen, strekkende tot afwijzing daarvan op de grond dat de nalatenschap geen aanspraak kan doen gelden op de uitkering.
De rechtbank heeft derhalve het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk geacht. De aangevallen uitspraak dient daarom (geheel) te worden vernietigd.
Nu voorts ook de Raad moet vaststellen dat de aanvraag niet (mede) namens de weduwe van [naam overledene] is gedaan, zal de Raad - doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen - het beroep alsnog ongegrond verklaren.
Voor een veroordeling van gedaagde in de proceskosten van appellant (uitsluitend in hoger beroep) zou op zichzelf, gegeven de vernietiging van de aangevallen uitspraak, aanleiding zijn. Anders dan appellant is echter ook de Raad - met de rechtbank - van oordeel dat geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, zodat voor een veroordeling van gedaagde in de proceskosten geen ruimte is.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond;
Bepaalt dat de gemeente Lelystad aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 77,14 (f 170,--) vergoedt.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van D. Nebbeling als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2003.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) D. Nebbeling.
AP72