ECLI:NL:CRVB:2003:AF5199

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 februari 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/5316 ALGEM
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B.J. van der Net
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 22 BeroepswetArt. 6:7 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht en termijnoverschrijding

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Arnhem. De gemachtigde van appellante werd meerdere malen schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht van € 327,-- binnen een gestelde termijn. Ondanks deze aanmaningen werd het griffierecht niet voldaan.

Daarnaast overwoog de Raad dat het beroepschrift niet binnen de wettelijke termijn van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht was ingediend en dat er geen sprake was van verschoonbare termijnoverschrijding zoals bedoeld in artikel 6:11 Awb Pro. Hierdoor was appellante in verzuim.

De Raad besloot het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren zonder verdere inhoudelijke behandeling. Er werden geen gronden gezien voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak werd gedaan door rechter B.J. van der Net in aanwezigheid van griffier E. Laudisio.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht en overschrijding van de beroepsprocedure.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/5316 ALGEM
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:
[bedrijfsnaam], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. INLEIDING
B.W.M. Harmsen, werkzaam bij Waverijn accountants en belastingadviseurs te Druten, heeft als gemachtigde van appellante hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Arnhem op 2 september 2002 tussen partijen gegeven uitspraak.
II. MOTIVERING
In artikel 22 van Pro de Beroepswet is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven.
Bij schrijven van 6 november 2002 is de gemachtigde van appellante erop gewezen dat een griffierecht van € 327,-- is verschuldigd, bij voorkeur te voldoen door middel van de aangehechte acceptgirokaart.
Bij aangetekende brief van 27 november 2002 is de gemachtigde van appellante nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie dient te zijn gestort. Daarbij is erop gewezen dat overschrijding van die termijn leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep.
De Raad stelt vast dat het griffierecht niet binnen deze termijn is betaald.
De Raad overweegt voorts volledigheidshalve dat het hoger beroep eveneens niet-ontvankelijk verklaard zou kunnen worden op de grond dat het beroepschrift niet binnen de in artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn werd ingediend. De Raad is niet gebleken van verschoonbare termijn overschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van Pro de Awb.
Nu op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest, acht de Raad het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek wordt beslist zoals hierna in rubriek III is aangegeven.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net in tegenwoordigheid van E. Laudisio als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) E. Laudisio.
Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van dit afschrift schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT.
De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.