ECLI:NL:CRVB:2003:AF5807
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- D.J. van der Vos
- Ch.J.G. Olde Kalter
- Rechtspraak.nl
Uitkering Ziektewet bij beëindiging tijdelijke uitbreiding dienstbetrekking
Gedaagde was sinds augustus 1994 in dienst op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd als caissière. Vanaf oktober 1997 breidde zij haar uren uit met werkzaamheden in de spoelkeuken, een andere functie op een andere locatie, tot 27 juni 1998. Tijdens deze extra uren werd zij ziek en stopte met werken in de spoelkeuken, waarna de werkgever het loon doorbetaalde tot 27 juni 1998. De werkgever betaalde daarna alleen loon over de uren als caissière.
Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, stelde dat geen aanspraak op ziekengeld bestond omdat er geen aparte dienstbetrekking was beëindigd. Gedaagde voerde aan dat er twee afzonderlijke dienstbetrekkingen waren. De Raad overwoog dat de uitbreiding van uren met andere werkzaamheden en arbeidsvoorwaarden, op een andere locatie en met niet aansluitende werktijden, als een tweede dienstbetrekking voor bepaalde tijd moet worden aangemerkt.
De Raad concludeerde dat artikel 29, tweede lid, onder c, van de Ziektewet van toepassing is omdat de tweede dienstbetrekking per 27 juni 1998 is geëindigd. Hierdoor heeft gedaagde recht op ziekengeld. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en appellant wordt veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.
Uitkomst: Gedaagde heeft recht op ziekengeld omdat de tijdelijke uitbreiding van haar dienstbetrekking per 27 juni 1998 is geëindigd.