ECLI:NL:CRVB:2003:AF6191
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- D.J. van der Vos
- Ch.J.G. Olde Kalter
- Rechtspraak.nl
Geen recht op Ziektewet-uitkering tijdens onbetaald ouderschapsverlof
Appellante is arbeidsongeschikt geworden op 13 augustus 1999 en heeft tot 1 september 1999 loon ontvangen van haar werkgever. Vanaf 1 september 1999 is zij onbetaald ouderschapsverlof gaan genieten. Zij vroeg ziekengeld aan vanaf die datum, maar dit werd geweigerd omdat haar dienstverband formeel niet was geëindigd, maar zij conform de Wet onbetaald verlof vanaf die datum geen dienstbetrekking en verzekering in de zin van de Ziektewet meer had.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) en de eerdere uitspraak van de rechtbank. De Raad overwoog dat de fictie van artikel 6, tweede lid, van de Ziektewet inhoudt dat tijdens onbetaald verlof geen dienstbetrekking wordt geacht aanwezig te zijn, waardoor ook geen verzekering meer bestaat.
De uitzonderingen op deze regel, waaronder de vervallen uitzondering voor bijzonder verlof van maximaal een maand, zijn niet van toepassing. Hierdoor kan appellante vanaf 1 september 1999 geen aanspraak maken op ziekengeld op grond van artikel 29 en Pro 46 van de Ziektewet, ondanks dat haar privaatrechtelijke dienstverband formeel voortduurt.
De uitspraak bevestigt dat de Wet onbetaald verlof beoogt belemmeringen in socialeverzekeringswetten weg te nemen door duidelijk te maken dat tijdens onbetaald verlof geen verzekering en dienstbetrekking bestaat, waardoor geen recht op ziekengeld ontstaat.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld vanaf het begin van het onbetaald ouderschapsverlof wegens het ontbreken van een dienstbetrekking en verzekering.