ECLI:NL:CRVB:2003:AF8121
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- H. Bolt
- J.Th. Wolleswinkel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening arbeidsongeschiktheidsuitkering zelfstandige op grond van WAZ
Gedaagde, werkzaam als meewerkend echtgenote in een agrarisch bedrijf, kreeg een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAZ toegekend, berekend op 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 1999 door een verzekeringsarts werd de uitkering ingetrokken omdat gedaagde minder dan 25% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank verklaarde het bezwaar van gedaagde gegrond en vernietigde het besluit.
Het UWV stelde hoger beroep in en voerde aan dat de arbeidskundige component van de schatting onjuist was omdat geen reductiefactor was toegepast op het uurloon van de functies die gedaagde kon vervullen. De Raad oordeelde dat het UWV het besluit van 18 oktober 2000 had ingetrokken en dat het beroep tegen dat besluit niet-ontvankelijk was. Het beroep tegen het besluit van 6 november 2001 werd eveneens niet-ontvankelijk verklaard.
De Raad beoordeelde het besluit van 8 januari 2003 waarin de mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 35 tot 45%. De medische beperkingen werden als juist beoordeeld en de functies die gedaagde kon vervullen bleken binnen haar belastbaarheid te liggen. Het beroep tegen dit besluit werd ongegrond verklaard. De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en bepaalde dat het griffierecht aan gedaagde wordt vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 8 januari 2003 wordt ongegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 35 tot 45%.