ECLI:NL:CRVB:2003:AF8462

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 maart 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/131 WAZ + 02/4984 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
  • J.W. Schuttel
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen de weigering van een uitkering op basis van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van een appellant die een uitkering op basis van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) heeft aangevraagd. De appellant, een zelfstandig garagehouder, heeft in 2000 een aanvraag ingediend voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering vanwege klachten aan zijn linkerarm en -schouder. De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft op 19 maart 2001 de aanvraag afgewezen, omdat de appellant na de wettelijke wachttijd van 52 weken minder dan 25% arbeidsongeschikt werd geacht. Na bezwaar van de appellant heeft het Uwv op 26 juli 2001 dit bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank Middelburg heeft deze beslissing op 10 december 2001 bevestigd, waarna de appellant in hoger beroep ging.

Tijdens de procedure heeft het Uwv op 17 september 2002 een nieuw besluit genomen, waarbij alsnog een uitkering werd toegekend met ingang van 30 april 2001, maar met een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. De Raad heeft de zaak op 28 januari 2003 behandeld, maar partijen zijn niet verschenen. De Raad heeft vastgesteld dat het nieuwe besluit van het Uwv, hoewel het als een nieuw besluit werd gepresenteerd, feitelijk een wijziging was van het eerdere besluit. Hierdoor werd het beroep tegen het eerdere besluit geacht mede gericht te zijn tegen het nieuwe besluit.

De Raad heeft vervolgens beoordeeld of het nieuwe besluit in rechte stand kon houden. De Raad concludeerde dat het besluit niet berustte op een onjuiste arbeidskundige grondslag en dat er voldoende functies waren vastgesteld die de appellant in staat stelden om een inkomen te verwerven. Het beroep tegen het nieuwe besluit werd ongegrond verklaard. Tevens werd vastgesteld dat er geen proceskosten waren die voor vergoeding in aanmerking kwamen, maar dat het Uwv wel het griffierecht diende te vergoeden aan de appellant. De uitspraak werd gedaan op 11 maart 2003.

Uitspraak

02/131 WAZ en 02/4984 WAZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 19 maart 2001 heeft gedaagde geweigerd aan appellant een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toe te kennen, onder overweging dat appellant na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken op 29 april 2001 minder dan 25% arbeidsongeschikt was.
Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 26 juli 2001, hierna: besluit 1, heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank Middelburg heeft bij uitspraak van 10 december 2001 het beroep tegen het besluit 1 ongegrond verklaard.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft gedaagde nadere informatie verstrekt.
Gedaagde heeft vervolgens bij besluit van 17 september 2002, hierna: besluit 2, alsnog aan appellant met ingang van 30 april 2001 een uitkering ingevolge de WAZ toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 28 januari 2003, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Appellant, geboren [in] 1945, is sedert 1978 werkzaam geweest als zelfstandig garagehouder. In verband met omstreeks 1 mei 2000 opgetreden klachten aan de linkerarm en -schouder heeft appellant op 11 december 2000 een arbeidsongeschiktheidsuitkering aangevraagd.
Gedaagde heeft op basis van de uitkomsten van de ingestelde verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoeken aangenomen dat appellant als gevolg van zijn beperkingen niet langer geschikt is voor zijn eigen werk als zelfstandig garagehouder, maar nog wel in staat is om met diverse loondienstfuncties een zodanig inkomen te verwerven dat ten opzichte van het in aanmerking genomen maatgevende inkomen sprake is van een verlies van verdiencapaciteit van minder dan 25%. Gedaagde heeft op die grond aan appellante een uitkering ingevolge de WAZ met ingang van 30 april 2001 ontzegd bij het bij besluit 1 gehandhaafde besluit in primo van 19 maart 2001.
Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft gedaagde in hoger beroep twee van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies laten vervallen. Op basis van de drie resterende functies heeft gedaagde de mate van appellants arbeidsongeschiktheid vastgesteld op ruim 30%. Bij brief van 9 september 2002 heeft gedaagde medegedeeld van mening te zijn dat besluit 1 niet kan worden gehandhaafd. Vervolgens heeft gedaagde bij besluit 2 aan gedaagde alsnog met ingang van 30 april 2001 een uitkering ingevolge de WAZ toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Onder verwijzing naar de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gedaagde verzocht besluit 2 in de lopende procedure te betrekken.
De Raad stelt allereerst vast dat besluit 2, hoewel de redactie van dat besluit doet vermoeden dat het om een besluit in primo gaat, dient te worden aangemerkt als een nieuwe beslissing op appellants bezwaar tegen het besluit van 19 maart 2001. Nu met besluit 2 wijziging is gebracht in besluit 1 en besluit 2 niet geheel aan appellants beroep tegemoet komt, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen besluit 2.
Gezien gedaagdes mededeling dat besluit 1 niet kan worden gehandhaafd, kan dat besluit geacht worden te zijn ingetrokken. Uit 's Raads uitspraak van 4 februari 1997, gepubliceerd in RSV 1997/297, volgt dat in zo'n geval belang bij een beoordeling van dat besluit in principe is komen te vervallen, tenzij van zo'n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb. Hiervan is in dit geval geen sprake. Het hoger beroep dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.
De Raad ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of besluit 2 in rechte stand kan houden.
Appellant heeft in hoger beroep gesteld zijn werkzaamheden als zelfstandig garagehouder niet of nauwelijks naar behoren te kunnen verrichten. Naar aanleiding van deze grief wijst de Raad er op dat het feit dat gedaagde appellant ongeschikt heeft geacht voor zijn eigen werk, onverlet laat dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid kan worden bepaald op basis van functies in loondienst. In dit verband verwijst de Raad naar artikel 2, eerste lid, van de WAZ, waarin - voor zover thans van belang - is bepaald dat arbeidsongeschikt is de verzekerde die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, met arbeid gewoonlijk verdienen. Ingevolge artikel 2, vierde lid, van de WAZ wordt onder arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
Met betrekking tot het medische aspect van de in geding zijnde schatting is de Raad van oordeel dat sprake is van een zorgvuldig medisch onderzoek. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat gedaagdes verzekeringsarts de belastbaarheid van appellant voor (linker) schouder - /armsparende arbeid heeft vastgesteld op basis van een medisch onderzoek en van appellants huisarts verkregen informatie. Voorts heeft gedaagdes bezwaarverzekeringsarts acht geslagen op nadere informatie van de huisarts en de behandelende orthopedisch chirurg, die voor de pijnklachten van appellant geen duidelijke verklaring kon geven. Gezien de beschikbare medische gegevens omtrent appellants gezondheidstoestand ziet de Raad geen aanleiding de vastgestelde beperkingen voor onjuist te houden.
De Raad is voorts niet gebleken dat besluit 2 berust op een onjuiste arbeidskundige grondslag, aangezien dat besluit steunt op voldoende, voor appellant geschikt te achten, functies met voldoende arbeidsplaatsen. De Raad ziet ook overigens in het licht van artikel 8:69 van de Awb geen aanleiding voor het oordeel dat besluit 2 in rechte geen stand kan houden.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het beroep tegen besluit 2 ongegrond moet worden verklaard.
Aan de Raad is niet gebleken van aan de zijde van appellant gevallen proceskosten die voor vergoeding op grond van artikel 8:75 van Awb in aanmerking komen.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger beroep betaalde griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep tegen besluit 2 ongegrond;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde recht van € 109,23 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2003.
(get.) K.J.S.Spaas.
(get.) M.H.A. Jenniskens.
AF