ECLI:NL:CRVB:2003:AF8467

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 april 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/2762 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
  • D.J. van der Vos
  • Ch.J.G. Olde Kalter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de verwijtbaarheid bij benadelingshandeling in het kader van de Ziektewet

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van appellant tegen een besluit van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) inzake de Ziektewet. Appellant, die sinds 3 april 1998 wegens spanningsklachten arbeidsongeschikt was, had op 20 november 1998 een verzoek tot ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst ingediend bij de kantonrechter. Deze ontbond de arbeidsovereenkomst per 31 december 1998 en kende appellant een vergoeding toe van €17.000,00 bruto. Echter, het Uwv legde appellant bij besluit van 31 maart 1999 een maatregel op van algehele weigering van ziekengeld vanaf 1 januari 1999, omdat hij door zijn verzoek tot ontbinding een benadelingshandeling had gepleegd.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. Appellant ging in hoger beroep, waarbij hij stelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat hij geen recht had op ziekengeld. De Raad voor de Rechtspraak behandelde de zaak op 4 maart 2003, waarbij appellant niet aanwezig was, maar gedaagde zich liet vertegenwoordigen door mr. M.M. de Boer-Veerman.

De Raad oordeelde dat appellant door het indienen van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst een benadelingshandeling had gepleegd. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank, omdat er geen medische gronden waren die erop wezen dat appellant niet in staat was zijn arbeidsovereenkomst voort te zetten. De Raad concludeerde dat de aangevallen uitspraak diende te worden bevestigd en dat er geen termen waren voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Uitspraak

01/2762 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsor-ganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoerings-instituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij brief van 21 juli 1999 heeft gedaagde appellant in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Ziektewet (ZW).
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 30 maart 2001 het tegen voornoemd besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft op de bij het beroepschrift aangevoerde gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 maart 2003, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.M. de Boer-Veerman, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant is op 3 april 1998 wegens spanningsklachten uitgevallen voor zijn arbeid. Op 20 november 1998 heeft hij bij de kantonrechter te Amsterdam een verzoekschrift ingediend strekkende tot ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst. De kantonrechter heeft bij beschikking van 17 december 1998 de arbeidsovereenkomst per 31 december 1998 ontbonden en daarbij aan appellant een vergoeding toegekend van ¦17.000,00 bruto.
Bij besluit van 31 maart 1999 heeft gedaagde op grond van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW en de toepasselijke bepalingen van het Maatregelenbesluit aan appellant de maatregel opgelegd van algehele weigering van ziekengeld vanaf 1 januari 1999 op de grond dat appellant door zijn verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst een benadelingshandeling heeft gepleegd. Naar het oordeel van gedaagde was er geen sprake van verminderde verwijtbaarheid noch van dringende redenen om van het opleggen van de maatregel af te zien.
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 31 maart 1999 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat uit de door appellant overgelegde medische informatie van de behandelend psychiater van 28 oktober 1998 en 9 mei 1999 niet blijkt dat voortzetting van het dienstverband niet gevergd zou kunnen worden van appellant.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard onder overweging dat appellant zelf het recht op loon heeft prijsgegeven en daarmee een benadelingshandeling heeft gepleegd in de zin van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW. De door appellant overgelegde medische informatie van de behandelend psychiater leidt niet tot de conclusie dat appellant om medische redenen genoodzaakt was de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Tot slot acht de rechtbank dat er geen aanleiding is om appellant geen, dan wel een verminderd, verwijt te maken ten aanzien van de benadelingshandeling.
De Raad constateert dat niet in geschil is dat appellant door na het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid het verzoek te doen tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst een benadelingshandeling, als bedoeld, heeft gepleegd. Het geding spitst zich in het bijzonder toe op de mate van verwijtbaarheid van deze benadelingshandeling. Naar het oordeel van de Raad dient bij het beantwoorden van die vraag in een geval als het onderhavige aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval te worden vastgesteld of aan de voortzetting van de dienstbetrekking zodanige bezwaren zijn verbonden dat die voortzetting redelijkerwijs van de zieke werknemer niet kan worden gevergd.
Gelijk de rechtbank heeft overwogen is de Raad van oordeel dat uit geen van de medische verklaringen van de behandelend psychiater valt te ontlenen dat op medische gronden de continuering van de arbeidsovereenkomst redelijkerwijs niet van appellant gevergd kon worden. Noch is de Raad gebleken van andere bezwaren die daaraan in de weg stonden.
Ten slotte overweegt de Raad naar aanleiding van het gestelde in het beroepschrift dat in dit geding aan de Werkloosheidswet te ontlenen aanspraken niet aan de orde kunnen komen.
Het bovenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad ziet geen termen voor toepassing van artikel 8: 75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. Ch.J.G. Olde Kalter als leden, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 april 2003.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J. Verrips.
PK