ECLI:NL:CRVB:2003:AF8467
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- D.J. van der Vos
- Ch.J.G. Olde Kalter
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de verwijtbaarheid bij benadelingshandeling in het kader van de Ziektewet
In deze zaak gaat het om een hoger beroep van appellant tegen een besluit van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) inzake de Ziektewet. Appellant, die sinds 3 april 1998 wegens spanningsklachten arbeidsongeschikt was, had op 20 november 1998 een verzoek tot ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst ingediend bij de kantonrechter. Deze ontbond de arbeidsovereenkomst per 31 december 1998 en kende appellant een vergoeding toe van €17.000,00 bruto. Echter, het Uwv legde appellant bij besluit van 31 maart 1999 een maatregel op van algehele weigering van ziekengeld vanaf 1 januari 1999, omdat hij door zijn verzoek tot ontbinding een benadelingshandeling had gepleegd.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. Appellant ging in hoger beroep, waarbij hij stelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat hij geen recht had op ziekengeld. De Raad voor de Rechtspraak behandelde de zaak op 4 maart 2003, waarbij appellant niet aanwezig was, maar gedaagde zich liet vertegenwoordigen door mr. M.M. de Boer-Veerman.
De Raad oordeelde dat appellant door het indienen van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst een benadelingshandeling had gepleegd. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank, omdat er geen medische gronden waren die erop wezen dat appellant niet in staat was zijn arbeidsovereenkomst voort te zetten. De Raad concludeerde dat de aangevallen uitspraak diende te worden bevestigd en dat er geen termen waren voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.