ECLI:NL:CRVB:2003:AF8667
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gezamenlijke huishouding en bijstandsuitkering volgens Algemene bijstandswet
Verzoeker stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch inzake de beëindiging van zijn bijstandsuitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). De kern van het geschil betrof de vraag of gedaagde en zijn ex-partner, met wie hij hertrouwd was, een gezamenlijke huishouding voerden vanaf 1 februari 2001, waardoor de bijstand als gezinsbijstand moest worden verleend.
De rechtbank had het besluit van de gemeente om de bijstand te beëindigen vernietigd wegens het ontbreken van een zorgvuldige beoordeling van bijzondere omstandigheden. Gedaagde had aangevoerd dat hij en zijn dochters destijds uit huis waren gezet en dat hij kamers huurde bij zijn ex-partner tegen betaling, zonder dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding.
De voorzieningenrechter stelde vast dat op grond van artikel 3, lid 4, van de Abw een gezamenlijke huishouding werd vermoed en dat het aan gedaagde was om bijzondere omstandigheden aan te tonen die een afwijking rechtvaardigen. De aangevoerde omstandigheden, zoals het betalen van huur en de slechte verstandhouding, waren onvoldoende om af te wijken van de gezinsbijstand. Ook het feit dat gedaagde later uit huis werd gezet, was niet relevant voor de beoordeling per 1 februari 2001.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af, waarmee het besluit tot beëindiging van de bijstand werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het beroep van gedaagde tegen de beëindiging van de bijstandsuitkering wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.