ECLI:NL:CRVB:2003:AF8925
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ontslaguitkering wegens arbeidsongeschiktheid na invoering BWOO
Gedaagde werkte parttime van 1976 tot 1979 bij een onderwijsinstelling en kreeg bij beëindiging een ontslaguitkering toegekend. Deze uitkering werd echter opgeschort vanwege een ziekte-uitkering die later werd omgezet in een WAO-uitkering. De rechtbank had geoordeeld dat de ontslaguitkering niet beëindigd mocht worden omdat deze pensioenopbouw mogelijk maakte en gedaagde daarop mocht vertrouwen.
De Centrale Raad van Beroep stelt vast dat artikel 6, eerste lid, van het BWOO de ontslaguitkering per 1 januari 1996 verplicht beëindigt, ook bij gedaagde. De Raad oordeelt dat de bijzondere situatie van gedaagde, waarin de uitkering lange tijd gesluimerd heeft en pensioenopbouw heeft plaatsgevonden, geen reden vormt om de wettelijke bepaling buiten toepassing te laten.
De Raad benadrukt dat het BWOO beoogt om cumulatie van ontslaguitkering en arbeidsongeschiktheidsuitkering te voorkomen en dat het vertrouwen op voortzetting van pensioenopbouw niet voldoende is om af te wijken van de wet. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van gedaagde wordt ongegrond verklaard en de ontslaguitkering wordt per 1 januari 1996 beëindigd conform het BWOO.