AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing aanvraag buitengewoon pensioen wegens onvoldoende verband met verzet moeder
Eiseres vroeg op grond van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 een pensioen toegekend te krijgen vanwege psychisch letsel dat zij zou hebben opgelopen door het verzet van haar moeder en vermoedelijke biologische vader. De Raad van Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af, waarna eiseres bezwaar maakte dat werd gehandhaafd.
De Centrale Raad van Beroep behandelde het beroep en beoordeelde of het beleid van verweerster inzake artikel 3 vanPro het Besluit, dat een discretionaire bevoegdheid geeft om personen gelijk te stellen aan categorieën die recht hebben op het pensioen, redelijk was toegepast. Uit onderzoek van de Stichting 1940-1945 en een geneeskundig rapport bleek dat de moeder van eiseres na medio 1943 niet meer aan het verzet deelnam of ondergedoken was.
De Raad oordeelde dat het verband tussen het verzet van de moeder en het psychisch letsel van eiseres te ver verwijderd was om te spreken van een verstoring van levensomstandigheden in de zin van de wet. Het bestreden besluit kon de terughoudende rechterlijke toetsing doorstaan. Er werd geen vergoeding van proceskosten toegekend en het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag buitengewoon pensioen wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
00/2021 BPW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
de Raadskamer WBP van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 2 maart 2000, kenmerk JZ/BP/85926, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld bij de Raad. In het beroepschrift, zoals nadien nog diverse malen schriftelijk aangevuld, is uiteengezet waarom eiseres zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. In aanvulling daarop heeft verweerster nog een reactie van haar geneeskundig adviseur op de door eiseres in beroep aangevoerde argumenten ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 februari 2003. Aldaar is eiseres in persoon verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. F.M.H. Kok, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP.
II. MOTIVERING
Eiseres, die is geboren [in] 1943, heeft met een schrijven van 16 juni 1998 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een buitengewoon pensioen ingevolge de Wet. Hierbij heeft eiseres een beroep gedaan op artikel 3 vanPro het ter uitvoering van artikel 1, tweede lid, van de Wet tot stand gebrachte koninklijk besluit van 8 juli 1978, Stb. 422 (hierna: het Besluit). In dit verband heeft zij zich op het standpunt gesteld dat zij in verband met het verzet van haar moeder en haar (vermoedelijke) biologische vader psychisch letsel heeft bekomen.
Verweerster heeft de aanvraag van eiseres afgewezen bij besluit van 28 mei 1999, welk besluit verweerster na daartegen door eiseres gemaakt bezwaar bij het bestreden besluit heeft gehandhaafd.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 3 vanPro het Besluit kan verweerster met personen die behoren tot de in artikel 2 vanPro het Besluit omschreven categorieën van personen op wie de Wet van overeenkomstige toepassing is, gelijkstellen degenen wier omstandigheden tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 een zodanige overeenkomst vertonen met die van personen behorende tot eerder bedoelde categorieën, dat het niet van toepassing verklaren van het Besluit een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.
Deze bevoegdheid is van discretionaire aard. Dit brengt mee dat de Raad heeft na te gaan of gezegd kan worden dat verweerster niet in redelijkheid kon beslissen van haar hiervoor omschreven bevoegdheid geen gebruik te maken, dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel.
Het bestreden besluit is de vrucht van beleid dat verweerster in het kader van de toepassing van artikel 3 vanPro het Besluit in de zaken waartoe de onderhavige zaak behoort, heeft ontwikkeld en sedert april 1990 hanteert, welk beleid als volgt kan worden beschreven:
1. Per geval is de kernvraag of er sprake is geweest van een ernstige verstoring van de levensomstandigheden waarmee de betrokkene in de oorlogsjaren 1940-1945 is geconfronteerd, als gevolg van het verzet van derden.
Het gaat hierbij om de feitelijke omstandigheden en om de subjectieve beleving ervan.
2. Het element van de subjectieve beleving is voorwerp van het medisch onderzoek, waaraan per geval de betrokkene wordt onderworpen. Nagegaan wordt of retrospectief psychisch letsel is aan te tonen dat in verband is te brengen met het verzet van derden; gelet wordt op het beeld van het functioneren (in brede zin) van de betrokkene tijdens en na de oorlog tot in het heden.
3. Indien in concreto psychisch letsel als onder 2. bedoeld aanwezig is, kan aan artikel 3 vanPro het Besluit toepassing worden gegeven.
Eerst in het geval de betrokkene is gelijkgesteld met de in artikel 2 vanPro het Besluit bedoelde personen, kan de vraag aan de orde komen of aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 4 vanPro de Wet, wordt voldaan.
De Raad handhaaft zijn reeds meermalen uitgesproken oordeel dat - in het oog gehouden dat het gaat om het toepassen van artikel 3 vanPro het Besluit in relatie tot de categorie van personen, bedoeld in artikel 2, onder 3, van het Besluit - het hiervoor beschreven beleid niet onredelijk is te achten.
Gelet op het vorenstaande overweegt de Raad voorts het volgende.
Blijkens het door haar ingediende schrijven van 16 juni 1998 berust de aanvraag van eiseres in de kern op het standpunt dat de omstandigheden van het verzet waaraan zowel haar moeder als haar (vermoedelijke) biologische vader, ten behoeve van het Kindercomité Joodse kinderen, te Utrecht hebben deelgenomen, ertoe hebben geleid dat de vader haar moeder nog vóór haar geboorte in de steek heeft gelaten, hetgeen vervolgens heeft geleid tot haat, mishandeling en verwaarlozing door haar moeder ten opzichte van haar als kind uit deze relatie.
Verweerster heeft zich in het bestreden besluit op basis van de resultaten van een rapport d.d. 30 september 1998 van onderzoek door de Stichting 1940-1945 (hierna: de Stichting) naar de verzetsomstandigheden van eiseres en haar moeder en van een rapport d.d. 15 april 1999 van een geneeskundig onderzoek van eiseres door de adviserend geneeskundige van verweerster, de arts A.S.E.P. Textor, op het standpunt gesteld dat de ernst van hetgeen eiseres in haar jeugd heeft ervaren wel degelijk wordt onderkend, maar dat de rol van het verzet van de moeder daarmee niet is te verbinden in termen zoals bedoeld in artikel 3 vanPro het Besluit.
De Raad kan, in het licht van het terzake gevoerde beleid, deze zienswijze van verweerster niet onjuist oordelen. Daartoe acht de Raad al beslissend dat uit het door de Stichting ingestelde onderzoek niet is gebleken dat de moeder van eiseres ook na medio 1943, toen zij zich vanuit Utrecht te Tiel heeft gevestigd, nog aan het verzet heeft deelgenomen dan wel daadwerkelijk ondergedoken is geweest. Gezien de aard en omvang van dit onderzoek, waarbij onder andere vele getuigen zijn gehoord en dossiers van betrokkenen geraadpleegd en waarbij ook - met negatief resultaat - is getracht gegevens te verkrijgen over een familie [naam familie] te Tiel bij wie moeder destijds zou hebben gewoond, volgt de Raad niet de opvatting van eiseres dat dit onderzoek te kort is geschoten voor wat betreft de periode te Tiel. Hoewel niet valt uit te sluiten dat ook de omstandigheden van het voordien door de moeder te Utrecht gepleegde verzet hebben bijgedragen aan de beëindiging van de relatie tussen haar moeder en haar (vermoedelijke) biologische vader en aan de gevolgen daarvan voor eiseres, acht ook de Raad hier sprake van een te ver verwijderd verband om te kunnen spreken van een verstoring van levensomstandigheden tengevolge van het verzet.
Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit de hier geldende, terughoudende, rechterlijke toetsing kan doorstaan.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 april 2003.