ECLI:NL:CRVB:2003:AH9131

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 juni 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/1116 CSV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak over geen gerechtvaardigd vertrouwen in premiebetalingsovereenkomst

Appellante betwistte de premiebetalingsverplichting over de jaren 1993 tot en met 1997 en stelde dat zij op basis van uitlatingen van een medewerker van gedaagde gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat een eenmalige betaling van € 6.806,73 de volledige premieplicht zou afdekken.

Gedaagde ontkende dat een dergelijke overeenkomst tot stand was gekomen en verwees naar een telefoonnotitie waarin de medewerker meldde het voorstel slechts te zullen voorleggen aan zijn leidinggevenden. De Raad oordeelde dat voor een beroep op het vertrouwensbeginsel ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen nodig zijn, welke in dit dossier ontbraken.

De Raad concludeerde dat de aangevallen uitspraak van de rechtbank Groningen, die het beroep van appellante ongegrond verklaarde, bevestigd moet worden. Er was geen sprake van een bindende afspraak en geen reden om artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe te passen.

De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 19 juni 2003, waarbij de gemachtigde van appellante en de vertegenwoordiger van gedaagde aanwezig waren.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen aan de uitlatingen en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
01/1116 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[naam B.V.], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 6 april 1999 heeft gedaagde de bezwaren van appellante tegen de besluiten van respectievelijk 16 januari 1998 - gecorrigeerd bij nota van 24 september 1998 -, 5 maart 1998 - gecorrigeerd bij nota's van 16 maart 1998 en
24 september 1998 - en 9 oktober 1998, zijnde de nota's inzake de door appellante over de jaren 1993 tot en met 1997 verschuldigde premies ingevolge de werknemersverzekeringen, ongegrond verklaard.
De rechtbank Groningen heeft bij uitspraak van 8 januari 2001 het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard.
Namens appellante is J.G.A. van Niekerk RA, gedelegeerd commissaris bij appellante, op 15 februari 2001 van deze uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft bij brief van 9 mei 2001 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 8 mei 2003, waar namens appellante is verschenen
J.G.A. van Niekerk, voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij, werkzaam bij gedaagde.
II. MOTIVERING
In geding is nog de vraag of appellante aan mogelijke uitlatingen van een medewerker van gedaagde het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat met het betalen van een eenmalig bedrag van ¦ 15.000,-- (€ 6.806,73) voldaan zou zijn aan de premie-betalingsverplichting over genoemde jaren.
Appellante stelt in een telefonisch onderhoud met de heer [naam medewerker], medewerker van gedaagde, de overeenkomst te hebben gesloten dat met de betaling van genoemd bedrag alle premienota's over genoemde jaren zouden zijn voldaan. In een later telefoongesprek zou deze medewerker hebben medegedeeld dat er toch geen overeenkomst was gesloten, omdat zijn leidinggevenden hier niet mee akkoord gingen. Gedaagde weerspreekt dat een dergelijke overeenkomst tot stand is gekomen en dat de heer [naam medewerker] slechts heeft gemeld dat hij het voorstel zou voorleggen. Dit laatste staat ook vermeld in een door gedaagde overgelegde telefoonnotitie van de hand van de heer [naam medewerker].
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad moet sprake zijn van ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen van de kant van gedaagde wil een beroep op het vertrouwensbeginsel in een situatie als de onderhavige voor honorering in aanmerking kunnen komen. In casu acht de Raad geen sprake van dergelijke toezeggingen. Uit de zich in het dossier bevindende telefoonnotitie van de heer [naam medewerker] blijkt niet van gedane toezeggingen. De gemachtigde van appellante stelt aan de rechtbank zijn eigen telefoonnotitie omtrent het telefoongesprek getoond te hebben, waaruit wel van toezeggingen zou blijken. De Raad moet vaststellen dat deze telefoonnotitie zich niet in het dossier bevindt en uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank niet blijkt van het overleggen van de notitie. Maar nog daargelaten de vraag of het proces-verbaal op dit punt geheel volledig is geweest, zelfs al zou een dergelijke telefoonnotitie getoond zijn, dan nog is de Raad van oordeel dat niet gesproken kan worden van ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen van de kant van gedaagde.
Dit leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. R.C. Schoemaker in tegenwoordigheid van A.H. Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2003.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A.H. Huls.