ECLI:NL:CRVB:2003:AI0138
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- D.J. van der Vos
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Beoordeling berekening resterende verdiencapaciteit bij arbeidsongeschiktheid
De zaak betreft een geschil over de juiste berekening van de resterende verdiencapaciteit van een werknemer die wegens ziekte zijn werk als leraar aan een basisschool heeft gestaakt. De appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), stelde dat de resterende verdiencapaciteit op arbeidskundige gronden minder dan 15% bedroeg, terwijl de rechtbank dit had vastgesteld op 15 tot 25%.
De kern van het geschil lag bij de toepassing van het Schattingsbesluit en de vraag of het feitelijk genoten loon van de werknemer gemaximeerd moest worden op het maatmanuurloon. De rechtbank had de maximering toegepast, terwijl de Raad oordeelde dat deze maximering achterwege blijft indien de berekening is gebaseerd op feitelijke inkomsten uit arbeid.
De Raad stelde vast dat de werknemer met inachtneming van zijn medische beperkingen 32 uur per week kon werken en dat het feitelijk genoten loon correct was omgerekend naar een uurloon van f 40,78. De maximering op het maatmanuurloon van f 39,90 was derhalve niet van toepassing. Hierdoor werd de mate van arbeidsongeschiktheid terecht vastgesteld op minder dan 15%, en het bestreden besluit van het Uwv bleef in stand.
De uitspraak vernietigt de eerdere uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond, waarmee het besluit van het Uwv wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de resterende verdiencapaciteit correct is berekend zonder maximering, waardoor de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.