ECLI:NL:CRVB:2003:AI0429
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep over premieplicht en boetes wegens fraude bij confectiewerkzaamheden in kelderatelier
De zaak betreft een geschil over de premieplicht en opgelegde boetes aan appellant vanwege het verrichten van confectiewerkzaamheden in een kelderatelier, waar illegale arbeidskrachten werden aangetroffen. Gedaagde, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), stelde dat appellant als werkgever moet worden aangemerkt en legde correctienota's en boetenota's op wegens het niet afdragen van premies over 1995 tot en met 1997.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat appellant als werkgever moet worden gezien en dat er sprake is van ernstige en omvangrijke fraude, waardoor de boetes terecht waren opgelegd. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank onjuiste verwijzingen maakte, onvoldoende rekening hield met verklaringen en de financiële positie van appellant negeerde.
De Raad overwoog dat appellant als werkgever moet worden aangemerkt, gelet op het huurcontract, de telefoonaansluiting, eigendom van machines en afzetmogelijkheden. De schatting van de loonsom op basis van energieverbruik werd als redelijk beoordeeld. De Raad vond de boetes terecht wegens ernstige fraude, maar matigde deze met 10% vanwege overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
De Raad vernietigde het deel van de uitspraak dat de boetes in stand hield, stelde de boetes vast op 90% van de ambtshalve vastgestelde premie, en veroordeelde gedaagde tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellant.
Uitkomst: Boetes wegens niet afgedragen premies worden bevestigd maar met 10% gematigd wegens overschrijding redelijke termijn.