ECLI:NL:CRVB:2003:AI0607
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Rechtspraak.nl
Overname van achterstallige pensioenverplichtingen van een failliete werkgever onder de Werkloosheidswet
In deze zaak gaat het om de vraag of achterstallige pensioenverplichtingen van een failliete werkgever kunnen worden overgenomen op grond van Hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW). Appellant, die op 1 februari 1993 vrijwillig vervroegd uit dienst is getreden, heeft een aanvraag ingediend om de betaling van pensioenpremies over te nemen, nadat zijn oud-werkgever op 2 september 1998 failliet was verklaard. De Raad voor de Rechtspraak heeft de zaak behandeld na een hoger beroep tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank Utrecht, die het beroep van appellant ongegrond had verklaard.
De Raad stelt vast dat de dienstbetrekking van appellant op 1 februari 1993 is geëindigd en dat de premies waarvoor hij overname vraagt, niet betrekking hebben op de periode die in artikel 64, aanhef en onder c, van de WW is genoemd. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant geen aanspraak kan maken op overname van de betalingsverplichting, omdat er geen arbeidsovereenkomst meer bestond en de premies niet voor overname in aanmerking komen. Appellant heeft in hoger beroep niet betwist dat er sinds 1 februari 1993 geen verplichting bestond tot het verrichten van arbeid.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en oordeelt dat de premies waarvan appellant overname vraagt, niet vallen onder de wettelijke regeling. De Raad wijst erop dat de beëindiging van de dienstbetrekking een voorwaarde is voor de toekenning van de Vut-uitkering en dat de premies die appellant wil overnemen, niet betrekking hebben op de relevante periode. De Raad concludeert dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt en dat er geen termen zijn voor een proceskostenveroordeling.