ECLI:NL:CRVB:2003:AI0641
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van bijzondere bijstand voor belastingaanslag zonder aanvullende bijstand in het betreffende jaar
Appellant ontving in 1996 een WW-uitkering en had enige inkomsten uit arbeid. In 1997 werd een voorlopige belastingaanslag opgelegd vanwege te weinig ingehouden loonheffing, die later werd verminderd. Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor betaling van de aanslag en compensatie van een gemiste belastingteruggave, maar dit werd afgewezen door het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam en bevestigd door de rechtbank.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat bijzondere bijstand voor terugwerkende belastingaanslagen alleen kan worden verleend indien in het jaar waarop de aanslag betrekking heeft aanvullende bijstand is ontvangen. Appellant beschikte in 1996 over voldoende middelen en had geen recht op aanvullende bijstand, waardoor hij geen aanspraak kan maken op bijzondere bijstand voor de belastingaanslag.
Verder oordeelt de Raad dat het verzoek om bijstand voor de gemiste belastingteruggave niet kan worden gehonoreerd, omdat deze teruggave het bedrag van de aanslag juist heeft verlaagd. Ook is niet gebleken van zeer dringende redenen die afwijking van deze regel rechtvaardigen. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen bijzondere bijstand krijgt voor de belastingaanslag omdat hij in het betreffende jaar geen aanvullende bijstand ontving.