ECLI:NL:CRVB:2003:AI1040
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.I. 't Hooft
- G.M.T. Berkel-Kikkert
- R.H. de Bock
- Rechtspraak.nl
Beoordeling inkomenssuppletie als loondervingsuitkering in relatie tot verlaging toeslag op grond van de Toeslagenwet
In deze zaak staat centraal of de inkomenssuppletie toegekend op grond van artikel 29 van Pro de Wet REA moet worden beschouwd als een loondervingsuitkering of een daarmee overeenkomende uitkering in de zin van de Toeslagenwet (TW). De appellant, het UWV, had de toeslag op grond van de TW verlaagd omdat het inkomen van de gedaagde was gewijzigd door de inkomenssuppletie. De rechtbank had de verlaging van de toeslag onterecht in stand gelaten, omdat de inkomenssuppletie niet als loondervingsuitkering moet worden gezien.
De Raad overweegt dat de inkomenssuppletie een tijdelijke voorziening is ter stimulering van arbeidsreïntegratie van arbeidsgehandicapten die zelfstandig een bedrijf exploiteren, en dat deze suppletie niet afhankelijk is van het genieten van een arbeidsongeschiktheidsuitkering. De aard en strekking van de inkomenssuppletie duiden niet op een loondervingsuitkering. Indien de inkomenssuppletie als zodanig zou worden aangemerkt, zou dit de ondersteuning die de wet beoogt tenietdoen.
De Raad wijst ook het beroep van appellant af dat de inkomenssuppletie voor premieheffing als uitkering op grond van de WAZ wordt aangemerkt, omdat dit niet automatisch betekent dat de suppletie ook voor de TW als loondervingsuitkering geldt. De Raad vernietigt het bestreden besluit en veroordeelt het UWV in de proceskosten van de gedaagde.
Uitkomst: De Raad vernietigt het besluit tot verlaging van de toeslag omdat inkomenssuppletie niet als loondervingsuitkering wordt aangemerkt.