ECLI:NL:CRVB:2003:AI1317
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verzekeringsplicht arbeidsverhouding interim-managers bij managementbedrijf
Appellante, een management- en consultancybedrijf, stelde dat haar interim-managers niet in een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding werkzaam waren. Gedaagde, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), stelde dat wel sprake was van verzekeringsplicht op grond van de sociale verzekeringswetten. De rechtbank had het beroep van appellante ongegrond verklaard en aangenomen dat er sprake was van fictieve dienstbetrekkingen op basis van de tussenkomstregelgeving.
In hoger beroep richtte appellante zich met name op de zelfstandigheid van de interim-managers en de toepassing van het gelijkheidsbeginsel, vertrouwensbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel. De Raad overwoog echter dat deze beginselen niet relevant zijn voor de rechtsvraag omtrent de verzekeringsplicht die van rechtswege ontstaat.
De Raad bevestigde dat tussen appellante en de betrokken interim-managers verzekeringsplichtige arbeidsverhoudingen bestonden volgens artikel 5, aanhef en onder d, van de Ziektewet, Werkloosheidswet en WAO juncto artikel 3 van Pro het Koninklijk Besluit. De Raad stelde vast dat er geen gezagsrelatie was, maar dat de tussenkomstregeling van toepassing was omdat appellante de interim-managers ter beschikking stelde aan opdrachtgevers en hen maandelijks factureerde.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde het bestreden besluit, waarbij werd opgemerkt dat het zelfstandig ondernemerschap van de interim-managers destijds niet aan toepassing van de tussenkomstregeling in de weg stond. Pas na een besluit van de staatssecretaris in 1998 werd dit anders geregeld.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de interim-managers in een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding werkzaam waren op grond van de tussenkomstregeling.