Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2003:AI1317

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 juli 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/1198 ALGEM e.a.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B.J. van der Net
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 ZWArt. 3 WWArt. 3 WAOArt. 5 ZWArt. 5 WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verzekeringsplicht arbeidsverhouding interim-managers bij managementbedrijf

Appellante, een management- en consultancybedrijf, stelde dat haar interim-managers niet in een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding werkzaam waren. Gedaagde, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), stelde dat wel sprake was van verzekeringsplicht op grond van de sociale verzekeringswetten. De rechtbank had het beroep van appellante ongegrond verklaard en aangenomen dat er sprake was van fictieve dienstbetrekkingen op basis van de tussenkomstregelgeving.

In hoger beroep richtte appellante zich met name op de zelfstandigheid van de interim-managers en de toepassing van het gelijkheidsbeginsel, vertrouwensbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel. De Raad overwoog echter dat deze beginselen niet relevant zijn voor de rechtsvraag omtrent de verzekeringsplicht die van rechtswege ontstaat.

De Raad bevestigde dat tussen appellante en de betrokken interim-managers verzekeringsplichtige arbeidsverhoudingen bestonden volgens artikel 5, aanhef en onder d, van de Ziektewet, Werkloosheidswet en WAO juncto artikel 3 van Pro het Koninklijk Besluit. De Raad stelde vast dat er geen gezagsrelatie was, maar dat de tussenkomstregeling van toepassing was omdat appellante de interim-managers ter beschikking stelde aan opdrachtgevers en hen maandelijks factureerde.

De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde het bestreden besluit, waarbij werd opgemerkt dat het zelfstandig ondernemerschap van de interim-managers destijds niet aan toepassing van de tussenkomstregeling in de weg stond. Pas na een besluit van de staatssecretaris in 1998 werd dit anders geregeld.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de interim-managers in een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding werkzaam waren op grond van de tussenkomstregeling.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
01/1198 ALGEM
01/1289 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[naam bedrijf], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. R.M.J. van Meerwijk, advocaat te Breda, op bij aanvullend beroepschrift van 23 april 2001 (met bijlagen) aangevoerde gronden bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Breda onder dagtekening 16 januari 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 18 juni 2001 (met bijlagen) ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 9 juli 2003, waar appellante is verschenen bij mr. Van Meerwijk voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. F. Gerritsma, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellante houdt zich bezig met dienstverlening op het gebied van management & consultancy. Op verzoek van appellante heeft gedaagde een onderzoek ingesteld om de verzekeringsplicht en de daaraan gekoppelde premiebetaling te beoordelen van -onder andere- [betrokkene I] en [betrokkene II] (hierna: betrokkenen) in verband met de werkzaamheden welke zij voor appellante hebben verricht en de daaruit voortvloeiende beloning. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft gedaagde bij besluiten van 19 mei 1999 vastgesteld dat tussen appellante en betrokkenen sprake was van een arbeidsverhouding welke verplichte verzekering voor de sociale verzekeringswetten met zich meebrengt. Bij de bestreden besluiten van 14 oktober 1999 heeft gedaagde zijn standpunt gehandhaafd dat ten aanzien van betrokkenen primair verzekeringsplicht op grond van artikel 3 van Pro de Ziektewet (ZW), de Werkloosheidswet (WW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), dient te worden aangenomen. Subsidiair bestaat volgens gedaagde verzekeringsplicht op grond van artikel 5, aanhef en onder d, van deze wetten juncto artikel 3 van Pro het Koninklijk Besluit van 24 december 1986, Stb. 1986/655 (hierna: het KB).
De rechtbank heeft het namens appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank is -samengevat- van oordeel dat in het onderhavige geval niet is gebleken van feitelijke aanknopingspunten op basis waarvan tot werkgeversgezag en derhalve tot een privaatrechtelijke dienstbetrekking, als bedoeld in artikel 3 van Pro de ZW, de WW en de WAO, kan worden geconcludeerd. Volgens de rechtbank is echter wel sprake van arbeidsverhoudingen, als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder d, van deze wetten juncto artikel 3 van Pro het KB, welke met een privaatrechtelijke dienstbetrekking worden gelijkgesteld. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het zelfstandig uitoefenen van bedrijf of beroep in de periode hier in geding niet in de weg staat aan het aannemen van een fictieve dienstbetrekking op basis van het zogenoemde tussenkomstartikel.
Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting richt het hoger beroep zich met name tegen de door de rechtbank niet erkende toepasselijkheid van de uitzondering op de tussenkomst bepaling, ingeval van zelfstandigheid van de betrokkenen interim-managers, mede in samenhang met de toepassing van het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwens- beginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.
De Raad overweegt als volgt.
Het geschil tussen partijen betreft de vraag of de interim-managers bij appellante in een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding werkzaam zijn geweest.
De Raad kan zich op basis van de resultaten van het onderzoek van gedaagde vinden in de subsidiaire grondslag van het bestreden besluit. Naar het oordeel van de Raad is tussen appellante en betrokkenen sprake van verzekeringsplichtige arbeidsverhoudingen in de zin van de zogenoemde tussenkomstregelgeving, vervat in artikel 5, aanhef en onder d, van de ZW, de WW en de WAO juncto artikel 3 van Pro het KB. De Raad stelt vast dat ten aanzien van betrokkenen sprake is van het persoonlijk verrichten van arbeid voor derden door tussenkomst van appellante als lichaam, op wie de verplichting tot loonbetaling rust. Daarbij tekent de Raad volledigheidshalve aan dat niet gebleken is van een gezagsrelatie tussen appellante en betrokkenen.
In weerwil van hetgeen namens appelante naar voren is gebracht is de Raad van oordeel dat niet gesproken kan worden van bemiddeling. De relatie tussen appellante en [werkgever 1], het bedrijf waar [betrokkene I] in de periode 2 februari 1998 tot en met 31 juli 1998 werkzaam was, en [werkgever 2], het bedrijf waar [betrokkene II] in de periode 1 oktober 1997 tot en met 31 maart 1998 werkzaam was, was niet louter gericht op het tot stand brengen van een overeenkomst tussen voornoemde opdrachtgevers en betrokkenen. De Raad leidt dit af uit het ontbreken van een dergelijke overeenkomst waar tegenover staat dat betrokkenen middels hun persoonlijke houdstervennootschappen zich op grond van een overeenkomst met appellante verbonden hebben om gedurende een bepaalde periode bij [werkgever 1] respectievelijk [werkgever 2] werkzaamheden te verrichten, terwijl appellante zich krachtens overeenkomsten met deze opdrachtgevers verbonden had iemand ter beschikking te stellen voor het verrichten van de bepaalde werkzaamheden. Daarnaast is tevens van belang dat appellante op basis van een maandelijkse facturering aan betrokkenen een vergoeding verschuldigd was voor de door hen verrichte werkzaamheden.
Ten aanzien van het beroep op de -namens appellante genoemde- uitzondering op de toepassing van het tussenkomst artikel merkt de Raad op dat aan de toepasselijkheid van het bepaalde in artikel 5, aanhef en onder d, van de sociale werknemersverzekeringswetten, in samenhang met artikel 3 van Pro het KB, ten tijde hier van belang niet in de weg stond het namens appellante benadrukte zelfstandig ondernemerschap. Pas na de inwerkingtreding van het besluit van de staatsecretaris van Sociale Zaken en Werk-gelegenheid van 19 augustus 1998, Stcrt, 161 (inwerking getreden per
1 september 1998), vindt artikel 3 van Pro het KB geen toepassing ten aanzien van de persoon die arbeid verricht in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep.
De Raad kan aan het namens appellante gedane verzoek zich -al dan niet indicatief- uit te laten omtrent de eventuele schending van het gelijkheids-, zorgvuldigheids-, en vertrouwensbeginsel, geen gehoor geven aangezien in onderhavig geding slechts de verzekeringsplicht van betrokkenen in geschil is. Aangezien deze ontstaat van rechtswege kunnen voornoemde beginselen hier geen rol spelen.
Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termijn aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2003.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen