ECLI:NL:CRVB:2003:AI1366
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- N.J. Haverkamp
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep inzake vaststelling arbeidsongeschiktheid WAO-uitkering
Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Utrecht die de intrekking van een WAO-uitkering aan gedaagde 1 vernietigde en de mate van arbeidsongeschiktheid vaststelde tussen 15 en 25% per 29 september 2000. De rechtbank had het beroep van gedaagden gegrond verklaard wegens een onjuiste arbeidskundige grondslag en de besluiten vernietigd.
Het hoger beroep richt zich niet tegen de rechtsvaststelling zelf, maar op de principiële vraag omtrent de omvang van een voltijds dienstverband in het hoger onderwijs, welke appellant wenst te laten heroverwegen. De Raad overweegt dat het recht van hoger beroep ingevolge de Beroepswet niet strekt tot beantwoording van algemene rechtsvragen zonder direct procesbelang.
Omdat appellant geen belang heeft bij een beslissing over deze algemene rechtsvraag binnen het concrete geschil, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tevens wordt appellant veroordeeld in de proceskosten van gedaagde 2. De uitspraak bevestigt dat rechtsvaststellingen door de rechtbank bindend zijn tenzij het geschil zich richt op een concreet besluit.
Uitkomst: Het hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.