ECLI:NL:CRVB:2003:AI1531
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Rechtspraak.nl
Recht op overlijdensuitkering en de Werkloosheidswet
In deze zaak, behandeld door de Centrale Raad van Beroep op 6 augustus 2003, staat de vraag centraal of de partner van een overleden werknemer recht heeft op een overlijdensuitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). De Raad behandelt het hoger beroep van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank Maastricht, waarin werd geoordeeld dat de overlijdensuitkering niet onder de overname regeling van de WW valt. De zaak is ontstaan na het overlijden van een werknemer in 2000, wiens werkgever kort daarna failliet werd verklaard. De partner van de werknemer, gedaagde in deze procedure, heeft recht op een overlijdensuitkering volgens het Burgerlijk Wetboek, maar de vraag is of deze uitkering ook onder de WW valt.
De Raad overweegt dat de overlijdensuitkering niet kan worden aangemerkt als loon in de zin van de WW, omdat de dienstbetrekking eindigt met het overlijden van de werknemer. De Raad concludeert dat de overlijdensuitkering niet voor overname in aanmerking komt, maar vernietigt het bestreden besluit van het Uwv op onjuiste gronden. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven echter in stand. De Raad veroordeelt het Uwv in de proceskosten van gedaagde, die zijn begroot op € 322,--.
De uitspraak benadrukt de scheiding tussen de rechten van de werknemer en de rechten van de nabestaanden, en bevestigt dat de overlijdensuitkering niet kan worden gezien als een recht dat voortvloeit uit de WW, maar eerder als een eigen recht van de partner van de overleden werknemer.