ECLI:NL:CRVB:2003:AI1658

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 augustus 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/1249 AWBZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.I. 't Hooft
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de aftrekbaarheid van zak- en kleedgeld op het bijdrageplichtig inkomen in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten

In deze zaak, behandeld door de Centrale Raad van Beroep op 20 augustus 2003, staat de vraag centraal of zak- en kleedgeld in mindering kunnen worden gebracht op het bijdrageplichtig inkomen van een appellant die in een verpleeghuis verblijft. De appellant, die in hoger beroep ging tegen een besluit van Stichting Ziekenfonds VGZ, had bezwaar gemaakt tegen de opgelegde eigen bijdrage van € 355,-- per maand voor de periode van 16 maart 2000 tot en met 30 juni 2000. Dit besluit was eerder door de rechtbank Assen ongegrond verklaard. De appellant stelde dat bij het bepalen van het bijdrageplichtige inkomen rekening gehouden moest worden met zak- en kleedgeld, evenals met andere kosten zoals autoverzekering, wegenbelasting en vaste lasten.

De Raad heeft in zijn overwegingen de argumenten van de appellant en de gedaagde tegen elkaar afgewogen. De Raad sluit zich aan bij de eerdere uitspraak van de rechtbank en stelt vast dat zak- en kleedgeld niet in mindering kunnen worden gebracht op het bijdrageplichtig inkomen. De Raad verwijst naar de relevante regelgeving en eerdere uitspraken, waarin is vastgesteld dat de wetgever een strikte regeling heeft gegeven over wat tot het bijdrageplichtig inkomen behoort en wat daarvan is uitgesloten. De Raad concludeert dat de door de appellant genoemde kosten niet in aanmerking komen voor aftrek, en bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraak van de rechtbank en oordeelt dat de eigen bijdrage van € 355,-- terecht is vastgesteld. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, wat betekent dat er geen proceskosten worden toegewezen aan de appellant. De uitspraak benadrukt de strikte regels rondom de eigen bijdrage in de zorg en de beperkte mogelijkheden voor aftrekken van kosten.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/1249 AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
Stichting Ziekenfonds VGZ, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 14 september 2000 heeft gedaagde appellant in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en het Bijdragebesluit Zorg (hierna: het Besluit), in verband met zijn verblijf in verpleeghuis [naam verpleeghuis] te [vestigingsplaats], voor de periode van 16 maart 2000 tot en met 30 juni 2000 een (lage) eigen bijdrage opgelegd van ¦ 355,-- per maand.
Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door gedaagde bij besluit van 19 juni 2001 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank Assen heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 16 januari 2002 ongegrond verklaard.
Namens appellant is G.S. Harm, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand, van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 9 juli 2003, waar appellant - zoals aangekondigd - niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.A. Booy Liewes, werkzaam bij gedaagde.
II. MOTIVERING
Voor de feiten en omstandigheden en de toepasselijke regelgeving verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.
De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat gedaagde bij het bestreden besluit de eigen bijdrage terecht heeft vastgesteld op ¦ 355,--. Bij de aangevallen uitspraak is daartoe het volgende overwogen:
"De rechtbank stelt vast dat niet in geding is dat eiser voor de aan hem in de hier relevante periode, 16 maart 2000 tot en met 30 juni 2000, verleende zorg een bijdrage verschuldigd is. Slechts de hoogte van die bijdrage is in geding. Verweerder heeft een zogenoemde lage eigen bijdrage van ¦ 355,-- opgelegd. Volgens eiser heeft verweerder daarbij een te hoog inkomen in aanmerking genomen. Op het inkomen zou volgens het standpunt van eiser zak- en kleedgeld in mindering moeten worden gebracht.Naar de mening van verweerder kan uit hoofde van artikel 5, tweede lid van het Besluit in beginsel rekening worden gehouden met zak- en kleedgeld. Indien na afdracht van de bijdrage maandelijks voor persoonlijke uitgaven gemiddeld minder overblijft dan ¦ 853,78, dan wordt voor de vaststelling van de bijdrage uitgegaan van het redelijkerwijs te verwachten bijdrageplichtige inkomen. Vaststaat dat de door verweerder opgelegde bijdrage van ¦ 355,-- een lage eigen bijdrage als bedoeld in artikel 14, tweede lid, onder b, van het Besluit is.
Artikel 15, eerste lid, van het Besluit verklaart niet artikel 5, tweede lid, van het Besluit ten aanzien van de lage eigen bijdrage van toepassing. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat, wanneer eenmaal een lage eigen bijdrage is opgelegd, zak- en kleedgeld niet in mindering kan worden gebracht op het bijdrageplichtig inkomen. De rechtbank wijst nog op de circulaire van de algemeen secretaris van de Ziekenfondsraad van 7 mei 1997. Aan deze circulaire ontleent de rechtbank dat de algemeen secretaris van oordeel is dat zak- en kleedgeldbedragen onder artikel 7, eerste lid, onder g, van het Besluit vallen. Wat daarvan zij, blijkens artikel 15, eerste lid, van het Besluit is ook artikel 7, eerste lid, onder g, van het Besluit uitgesloten van toepassing op de lage eigen bijdrage.".
Appellant kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank. In hoger beroep is wederom aangevoerd dat bij het bepalen van het bijdrageplichtige inkomen rekening dient te worden gehouden met zak- en kleedgeld. Voorts is aangevoerd dat ook rekening gehouden zou moeten worden met andere kosten, zoals premie autoverzekering voor de bij zijn echtgenote in gebruik zijnde auto en wegenbelasting, alsmede overige vaste lasten als energiekosten, kosten telefoon, gemeentebelasting en reinigingsheffing.
De Raad heeft reeds eerder overwogen (oa. in zijn uitspraak van 16 april 1999, gepubliceerd in RSV 1999/192) dat de wetgever bij het Bijdragebesluit Zorg een strak omlijnde en uitputtende regeling heeft gegeven, niet alleen met betrekking tot wat tot het bijdrageplichtig inkomen wordt gerekend, maar ook met betrekking tot wat daarvan is uitgezonderd dan wel wordt toegestaan als aftrekpost.
De door appellant genoemde - hierboven weergegeven - posten en kosten kunnen naar het oordeel van de Raad in het onderhavige geval niet in mindering worden gebracht op de inkomsten voor de vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen.
Wat het zak- en kleedgeld betreft sluit de Raad zich aan bij hetgeen de rechtbank heeft overwogen, en wat de (eerst in hoger beroep aangevoerde) andere kosten betreft verwijst de Raad kortheidshalve naar hetgeen gedaagde bij verweerschrift in hoger beroep heeft uiteengezet.
Ook overigens is de Raad niet gebleken dat het bestreden besluit niet juist zou zijn. Nu de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft, in tegenwoordigheid van S. van der Zee als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2003.
(get) M.I. 't Hooft
(get) S. van der Zee