ECLI:NL:CRVB:2003:AI5675

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 juni 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/1505 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
  • C.G. Kasdorp
  • G.L.M.J. Stevens
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verjaring van terugvordering tegemoetkoming sociaal vervoer onder Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers

Eiseres werd in 1985 erkend als vervolgde en kreeg een tegemoetkoming voor sociaal vervoer toegekend, maar deze is nooit uitbetaald. In 2001 ontdekte verweerster deze fout en betaalde met terugwerkende kracht een bedrag over vijf jaar uit. Verweerster beriep zich vervolgens op verjaring voor verdere terugbetalingen.

Eiseres voerde aan dat zij door het ambtelijk taalgebruik niet begreep dat de vergoeding deels was toegekend en deels geweigerd, en dat zij daarom geen navraag deed. Ook stelde zij dat de fout van de uitvoerende instantie niet aan haar toegerekend kon worden.

De Raad oordeelde dat eiseres bij normale oplettendheid had kunnen zien dat een toekenning was gedaan en dat zij bij onduidelijkheid contact had moeten opnemen. De Raad vond het beroep op verjaring terecht en verklaarde het beroep ongegrond. Proceskostenvergoeding werd niet toegewezen.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het beroep op verjaring door verweerster is terecht toegepast.

Uitspraak

02/1505 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 28 februari 2002, kenmerk JZ/U80/2002/0140, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dit besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres zich met dit besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 mei 2003. Daar is eiseres in persoon verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot [naam echtgenoot], terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Blijkens de gedingstukken is eiseres bij besluit van 22 maart 1985 van verweersters rechtsvoorganger, de Uitkeringsraad, erkend als vervolgde in de zin van de Wet. Bij dat besluit is aan eiseres op grond van artikel 20 van Pro de Wet een vergoeding toegekend van een aantal medische voorzieningen. De toen door eiseres ook, als medische voorziening, gevraagde vergoeding van de kosten, verbonden aan vervoer per eigen auto voor het onderhouden van sociale contacten werd afgewezen; wel echter werd aan eiseres op grond van artikel 21 van Pro de Wet een tegemoetkoming verleend in de kosten van vervoer voor het onderhouden van sociale contacten tot een bedrag van f 165,-- per maand, voorzover deze kosten niet op andere wijze worden gedekt.
Naar aanleiding van een in maart 2001 door eiseres nader ingediende aanvraag om vergoeding van de kosten van sociaal vervoer, is verweerster gebleken dat aan de in 1985 toegekende tegemoetkoming voor sociaal vervoer om onbekende redenen nimmer enige uitvoering is gegeven.
In verband hiermee heeft verweerster bij berekeningsbeschikking van 30 september 2001, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, voor een periode van 5 jaar voorafgaande aan 1 maart 2001 op dit punt alsnog uitvoering gegeven aan het besluit van 22 maart 1985 en aan eiseres een bedrag van f 8.733,64 nabetaald. Met een beroep op het beginsel dat vorderingen op de overheid na 5 jaar zijn verjaard heeft verweerster aan die uitvoering geen verdere terugwerkende kracht willen verlenen.
In bezwaar en beroep heeft eiseres het door verweerster gedane beroep op verjaring niet gerechtvaardigd geacht. Daartoe heeft eiseres enerzijds aangevoerd dat de fijne nuance
- weigering van vergoeding maar toekenning van een tegemoetkoming - in het besluit van 22 maart 1985 haar, mede door het ambtelijk taalgebruik, is ontgaan, en dat zij meende dat de voorziening geheel was afgewezen waardoor zij destijds bij verweerster geen verdere navraag heeft gedaan. Anderzijds is aangevoerd dat toch duidelijk sprake is van een fout van (de rechtsvoorganger van) verweerster die bij eenvoudige controle van de administratie dadelijk had kunnen vaststellen dat de tegemoetkoming niet werd uitbetaald.
De Raad overweegt dienaangaande als volgt.
Volgens inmiddels vaste rechtspraak van de Raad zijn financiële aanspraken jegens de overheid op grond van de rechtszekerheid na een termijn van 5 jaren niet meer in rechte afdwingbaar.
Hetgeen eiseres heeft aangevoerd acht de Raad weliswaar invoelbaar doch niet van dien aard dat verweerster zich in dit geval op grond van het beginsel van de rechtszekerheid niet in redelijkheid op verjaring heeft mogen beroepen. De Raad acht daartoe al doorslaggevend dat naar zijn oordeel eiseres bij normale oplettendheid had kunnen en moeten zien dat het besluit van 22 maart 1985 op het gebied van het sociaal vervoer óók een toekenning bevatte. Voorzover bij haar onduidelijkheid bestond omdat op dit gebied tevens - in andere termen - een weigering was opgenomen, had het op de weg van eiseres gelegen om hierover met de Uitkeringsraad contact op te nemen. De omstandigheid dat wellicht de Uitkeringsraad bij de uitvoering en controle ook fouten heeft gemaakt - door het verstrijken van de tijd is dit niet meer vast te stellen - doet daaraan geen afbreuk.
Gezien het vorenstaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2003.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) A. Kovács.
HD
14.05