ECLI:NL:CRVB:2003:AJ9997
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- D.J. van der Vos
- Ch.J.G. Olde Kalter
- Rechtspraak.nl
Vaststelling maatvrouwloon bij arbeidsongeschiktheid en reïntegratie
Appellante was fulltime vestigingsmanager toen zij in 1993 arbeidsongeschikt raakte en een WAO-uitkering ontving. Na herstel werkte zij vanaf oktober 1994 als intercedente 24 uur per week, waarna zij in 1998 opnieuw ziek werd. De arbeidsdeskundige stelde het maatvrouwloon vast op basis van de functie als intercedente. Appellante betwistte dit en stelde dat het maatvrouwloon moest worden berekend op haar eerdere fulltime functie.
De Raad concludeerde dat volgens de geldende wet- en regelgeving het maatvrouwloon wordt bepaald op basis van de functie die zij verrichtte bij het intreden van de arbeidsongeschiktheid, hier de deeltijdfunctie als intercedente. De Raad vond dat het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering per 5 april 1999 onzorgvuldig was voorbereid omdat geen medische herbeoordeling had plaatsgevonden na de bedrijfsartsconclusie over de maximale belastbaarheid van 20 uur per week.
De Raad vernietigde het besluit tot intrekking van de uitkering en het bestreden besluit voor zover dit betrekking had op die intrekking. Het beroep werd gegrond verklaard en het griffierecht werd aan appellante vergoed. De overige besluiten en de uitspraak van de rechtbank bleven in stand.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering per 5 april 1999 wordt vernietigd wegens onzorgvuldige voorbereiding; het maatvrouwloon wordt vastgesteld op basis van de deeltijdfunctie als intercedente.