ECLI:NL:CRVB:2003:AJ9999
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- Th.M. Schelfhout
- Rechtspraak.nl
Herleving recht op WW-uitkering na afzien van vakantie ondanks verzuim melding
Appellant ontving sinds 8 december 1997 een WW-uitkering. Hij had voor de periode 20 tot en met 31 december 1999 vakantie aangevraagd en toestemming gekregen. Na werkzaamheden in de weken daarvoor, meldde appellant op 1 januari 2000 vakantie te hebben genoten. Gedaagde stelde daarop het recht op uitkering per 6 december 1999 geheel te hebben beëindigd, omdat appellant volgens hen vakantie genoot en niet beschikbaar was voor werk.
Appellant betoogde dat hij geen vakantie had genoten maar sollicitatie- en netwerkactiviteiten had verricht, en dat hij niet had gemeld van vakantie af te zien omdat hij dacht dat dit geen gevolgen had voor zijn uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant vanaf 20 december 1999 vakantie had genoten en niet beschikbaar was.
De Raad oordeelt echter dat de omschrijving van vakantie in het Vakantiebesluit ruim is, maar dat uit de feiten blijkt dat appellant intensief bezig was met het zoeken naar werk en dus geen reële vakantie genoot. De Raad acht de verklaring van een werkgever en de onderbouwing van appellant overtuigend en concludeert dat appellant vanaf 20 december 1999 beschikbaar was voor arbeid en het recht op uitkering kon herleven.
Daarom vernietigt de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en beveelt gedaagde een nieuw besluit te nemen. Tevens veroordeelt de Raad gedaagde in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het recht op WW-uitkering van appellant herleeft per 20 december 1999 omdat hij geen vakantie genoot maar beschikbaar was voor arbeid.