ECLI:NL:CRVB:2003:AK8378
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Terugvordering onverschuldigde uitkering bij latere wijziging van omstandigheden
Appellante ontving vanaf oktober 1995 een arbeidsongeschiktheidsuitkering die in de loop der tijd werd aangepast en omgezet in een WAO-conforme uitkering. Na een bezwaarprocedure werd haar arbeidsongeschiktheid met terugwerkende kracht vastgesteld op 80-100%, waardoor zij recht had op een hogere uitkering. De Minister beëindigde vervolgens de UR-uitkering per 21 maart 1997 en vorderde een deel van de reeds betaalde UR-uitkering terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij door vergelijking van de uitkeringen had kunnen weten dat zij teveel ontving. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat terugvordering van uitkeringen die onverschuldigd zijn betaald alleen mogelijk is als de betrokkene wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat hij teveel ontving. Dit was hier niet het geval, omdat de onverschuldigdheid pas later door een wijziging van omstandigheden met terugwerkende kracht ontstond.
De Raad stelde dat terugvordering over de periode vóórdat appellante de onverschuldigdheid redelijkerwijs kon begrijpen, niet geoorloofd is. De terugvordering van het surplus van de UR-uitkering werd daarom onrechtmatig geacht. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het bestreden besluit en het primaire besluit van 26 mei 1999 werden vernietigd, en de Staat werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot terugvordering van een deel van de UR-uitkering wordt vernietigd omdat appellante niet redelijkerwijs kon weten dat zij teveel ontving.