ECLI:NL:CRVB:2003:AL1650
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- Th.M. Schelfhout
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van blijvende gehele weigering werkloosheidsuitkering na strafontslag wegens ernstig wangedrag
Appellant, een voormalig groepsleerkracht in het basisonderwijs, kreeg per 1 maart 1995 een disciplinair ontslag wegens ernstig wangedrag. Dit leidde tot een blijvende gehele weigering van zijn werkloosheidsuitkering op grond van artikel 10, tweede lid, onder a, van het BWOO. De rechtbank Amsterdam had eerder geoordeeld dat de sanctie gerechtvaardigd was, maar het besluit vernietigd vanwege het ontbreken van een evenredigheidsafweging.
In het bestreden besluit handhaafde de Minister de sanctie van blijvende gehele weigering, stellende dat deze proportioneel was gezien de ernst van het gedrag en de mate van voorzienbaarheid van de werkloosheid. Appellant voerde aan dat het ontslag mede veroorzaakt werd door externe factoren en dat zijn karakterstructuur botsingen verklaart, en verwees naar eerdere uitspraken waarin een blijvende weigering niet altijd evenredig werd geacht.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant verantwoordelijk is voor zijn gedrag en dat hij het bewust op zijn ontslag heeft laten aankomen, ondanks waarschuwingen en eerdere sancties zoals overplaatsing en schorsing. De Raad acht de sanctie passend en evenredig, mede gelet op de lange maximale uitkeringsduur en de ernst en duur van het wangedrag. De eerdere jurisprudentie ondersteunt niet de stelling dat een blijvende gehele weigering per definitie disproportioneel is bij een lange uitkeringsduur.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: De blijvende gehele weigering van de werkloosheidsuitkering wordt bevestigd als evenredige sanctie na strafontslag.