ECLI:NL:CRVB:2003:AM1850
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boetebesluit wegens onvoldoende bewijs premieplichtige loonuitgaven
Appellante, een B.V., kreeg van het UWV correctienota's en boetenota's opgelegd over de jaren 1994 tot en met 1998 wegens vermeende premieplichtige loonuitgaven. De looncontrole wees uit dat maandelijks f 200,-- als algemene kosten werd uitgeboekt, waarvan niet was aangetoond waartoe deze bedragen waren aangewend. Volgens de directeur-grootaandeelhouder werden deze bedragen gebruikt voor relatiegeschenken, maar dit was niet aantoonbaar.
Het UWV ging er op basis van deze onduidelijkheid van uit dat de bedragen ten behoeve van werknemers waren besteed en dus als loon moesten worden aangemerkt, waarover premies verschuldigd zijn. Tevens werden boetes opgelegd wegens opzet of grove schuld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak.
De Raad oordeelt dat het UWV onvoldoende concreet aannemelijk heeft gemaakt dat de kasopnames premieplichtige loonbetalingen waren. Omdat de directeur-grootaandeelhouder de besteding van de gelden aannemelijk maakte en er geen aanwijzingen waren voor loonuitgaven, is de motivering voor de correcties en boetes onvoldoende. Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs dat kasopnames premieplichtig loon zijn, en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.