ECLI:NL:CRVB:2003:AM3204

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 september 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/2481 NABW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.H.M. Roelofs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 AbwArt. 30 AbwWet op de GBA
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening bijstandsuitkering op grond van juiste geboortedatum

Appellante ontving aanvankelijk een bijstandsuitkering volgens de norm voor een alleenstaande ouder jonger dan 21 jaar, gebaseerd op haar eigen verklaring. Later herzag de gemeente de uitkering op basis van de persoonsgegevens in het Gemeentelijke Basisadministratie (GBA), waarin een andere geboortedatum was opgenomen, en paste de uitkering aan naar de norm voor een ouder van 21 jaar of ouder. Na een civielrechtelijke procedure werd de geboortedatum in het GBA aangepast naar de oorspronkelijke datum van appellante, waarop de gemeente de uitkering opnieuw herzag naar de norm voor een alleenstaande ouder jonger dan 21 jaar.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat bij de toepassing van leeftijdsafhankelijke normen de feitelijke situatie leidend is. De laatst vastgestelde geboortedatum in het GBA, na gerechtelijke procedures en een verklaring onder ede, geldt als de juiste. De gemeente was vanaf 1 juli 1997 gehouden de bijstandsnorm te herzien op basis van deze gegevens. De formele registratie in het GBA is een belangrijk aanknopingspunt, maar moet worden aangepast als deze niet overeenkomt met de werkelijke situatie.

De Raad wijst het beroep van appellante af en bevestigt de uitspraak van de rechtbank Groningen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt, mede omdat de gemeente appellante had geïnformeerd over mogelijke herzieningen na afloop van de gerechtelijke procedure.

Uitkomst: De bijstandsuitkering is terecht herzien naar de norm voor een alleenstaande ouder jonger dan 21 jaar op basis van de juiste geboortedatum.

Uitspraak

E N K ELV O U D I G E K A M E R
01/2481 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Appingedam, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. S.S. Ilahi, advocaat te Groningen, op de bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 21 maart 2001, reg.nr. 00/608 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 2 september 2003, waar appellante niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door A. Jager, werkzaam bij de gemeente Appingedam.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Gedaagde heeft appellante bij besluit van 7 oktober 1996 met ingang van 1 september 1996 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder jonger dan 21 jaar. Daarbij is gedaagde afgegaan op de eigen verklaring van appellante dat zij, anders dan de Gemeentelijke basisadministratie (hierna: het Gba) vermeldde, in werkelijkheid was [appellante], geboren op 15 mei 1978.
Op verzoek van mr. Ilahi heeft gedaagde bij besluit van 30 september 1998 de uitkering van appellante vanaf 1 september 1996 herzien op basis van de omtrent appellante in het Gba opgenomen persoonsgegevens, te weten: J. A., geboren op 15 mei 1967, en alsnog bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder. Als gevolg daarvan is aan appellante een nabetaling verricht.
Na een door appellante gestarte civielrechtelijke procedure met als inzet de wijziging van haar persoonsgegevens is appellante met ingang van 19 april 1999 in het Gba van Appingedam ingeschreven als [appellante], geboren op 15 mei 1978.
Naar aanleiding hiervan heeft gedaagde de uitkering van appellante bij besluit van 26 mei 1999 eerst herzien van 19 april 1999 tot 15 mei 1999 en voorts bij besluit van 7 september 1999 tevens van 1 september 1996 tot 19 april 1999, in beide gevallen naar de norm voor een alleenstaande ouder jonger dan 21 jaar.
Bij besluit van 12 april 2000 heeft gedaagde het tegen het besluit van 7 september 1999 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 12 april 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
De Raad stelt voorop dat bij de toepassing van leeftijdsafhankelijke normen als bedoeld in artikel 29 en Pro 30 van de Abw de feitelijke situatie doorslaggevend is.
Na het voeren van gerechtelijke procedures, het afleggen van een verklaring onder ede door appellante, hetgeen als een brondocument als bedoeld in de Wet op de Gba is aan te merken, en de daarop volgende inschrijving bij het Gba per 19 april 1999, waarbij als geboortedatum 15 mei 1978 is vermeld, moet er voor de toepassing van de Abw van worden uitgegaan dat de laatstvermelde gegevens de juiste zijn. Dit betekent dat gedaagde op goede gronden met ingang van 1 september 1996 is overgegaan tot herziening van de toegepaste bijstandsnorm, tot welke herziening zij vanaf 1 juli 1997 bovendien gehouden was.
De enkele omstandigheid dat de personalia van appellante in het Gba niet met terugwerkende kracht tot een datum gelegen vóór 19 april 1999 zijn of konden worden gewijzigd, doet aan het voorgaande niet af. De formele registratie in het Gba vormt weliswaar in beginsel een aanknopingspunt voor de persoonsgegevens van een belanghebbende, maar dit betekent niet dat daar voor wat betreft de toepasselijke bijstandsnorm zonder meer dient bij te worden (blijven) aangesloten. Dit geldt temeer indien, zoals in dit geval, vast is komen te staan dat de eerdere inschrijvingsgegevens niet in overeenstemming waren met de werkelijke situatie.
Voorzover appellante nog beoogd heeft aan te voeren dat zij erop mocht vertrouwen dat gedaagde zich voor wat betreft de toepassing van de bijstandsnormen aan zou (blijven) sluiten bij de formele registratie in het Gba kan de Raad appellante niet volgen. De Raad volstaat in dit verband met verwijzing naar de brief van gedaagde aan appellante van
17 augustus 1998, waarin is aangegeven dat de aanvankelijk toegekende bijstandsnorm op uitdrukkelijk verzoek van appellante zal worden gewijzigd (lees: verhoogd), maar ook dat deze wijziging na afloop van de gerechtelijke wijzigingsprocedure tot gevolg kan hebben dat te zijner tijd alsnog weer tot herziening/ terugvordering dient te worden overgegaan.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
Voor een procekostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 september 2003.
(get.) R.H.M. Roelofs
(get.) van B.M. Biever-van Leeuwen
JK/1693