ECLI:NL:CRVB:2003:AN8251
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- D.J. van der Vos
- Ch.J.G. Olde Kalter
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewetuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na blootstelling bestrijdingsmiddelen
Appellant, werkzaam in een rozenkwekerij, meldde zich ziek in 1994 met chronische luchtweginfecties en duizeligheid. Na het ontvangen van een maximale Ziektewetuitkering werd hem geen AAW/WAO-uitkering toegekend omdat hij niet arbeidsongeschikt werd geacht voor passend werk. In 1998 meldde hij zich opnieuw ziek met darmklachten, maar het UWV weigerde een Ziektewetuitkering op basis van medisch onderzoek.
Appellant stelde dat zijn klachten veroorzaakt werden door blootstelling aan bestrijdingsmiddelen tijdens zijn werk, ondersteund door een medisch rapport van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten. Het bezwaar werd deels gegrond verklaard, waardoor een uitkering werd toegekend over een achterliggende periode, maar de latere weigering bleef gehandhaafd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat er geen onjuist oordeel was gegeven omtrent de relatie tussen de klachten en de werkomstandigheden. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel, oordeelde dat de procedure door de rechtbank niet onzorgvuldig was verlopen en dat appellant onvoldoende medische gegevens had geleverd om de arbeidsongeschiktheid te onderbouwen. Het verzoek om uitstel van de zitting werd eveneens afgewezen vanwege het ontbreken van uitzonderlijke omstandigheden.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Ziektewetuitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing van arbeidsongeschiktheid.