Uitspraak
ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
10 januari 2002 aangevoerde gronden.
MOTIVERING
BESLISSING
Centrale Raad van Beroep
Appellant kreeg een boete opgelegd van het UWV wegens het niet tijdig melden van zijn werkhervatting binnen zeven dagen. Hij voerde aan dat hij door ernstige psychische problemen tussen oktober 1997 en medio 1999 niet in staat was zijn persoonlijke belangen te behartigen en zich niet bewust was van de mededelingsplicht. Ook vertrouwde hij erop dat zijn werkgever de werkhervatting zou doorgeven.
De rechtbank oordeelde dat appellant op het moment van werkhervatting voldoende hersteld was om de verplichtingen te begrijpen en dat hij een eigen verantwoordelijkheid had om de mededelingsplicht na te komen. De Raad kwam echter tot een andere conclusie. Hoewel appellant op het moment van werkhervatting weer in staat was zijn belangen te behartigen, was de eerdere informatieachterstand door psychische problemen niet weggewerkt. Bovendien werd de uitkering aan zijn werkgever betaald, waardoor het niet verwijtbaar was dat appellant niet zelf meldde.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en verklaarde het beroep gegrond. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De boete werd daarmee onterecht opgelegd en moest worden ingetrokken.
Uitkomst: De boete wegens niet tijdig melden van werkhervatting wordt vernietigd vanwege psychische beperkingen van appellant.