ECLI:NL:CRVB:2003:AN9000
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling financiële band voor nabestaandenuitkering Algemene nabestaandenwet
Appellante was tot 1993 gehuwd met haar ex-echtgenoot die in 2001 overleed. Na diens overlijden vroeg zij een nabestaandenuitkering aan op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw), maar dit werd afgewezen omdat zij niet als nabestaande kon worden aangemerkt. De Sociale verzekeringsbank stelde dat de overledene niet verplicht was levensonderhoud te verschaffen aan appellante.
Appellante voerde aan dat zij wel als nabestaande moest worden gezien vanwege een echtscheidingsconvenant waarin zij afstand deed van alimentatie, maar waarbij de gemeente bijstand verleende en dit bedrag op haar ex-echtgenoot verhaalde. Zij stelde dat hieruit een financiële band bleek.
De Raad oordeelde dat voor gelijkstelling als nabestaande op grond van artikel 4 Anw Pro een wettelijke verplichting tot levensonderhoud moet bestaan, vastgelegd in een rechterlijke uitspraak of notariële akte. Het verhaal van de gemeente op de ex-echtgenoot schept geen dergelijke financiële band. Daarom kon appellante geen aanspraak maken op de nabestaandenuitkering.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde het bestreden besluit. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor nabestaandenuitkering wordt afgewezen.