ECLI:NL:CRVB:2003:AN9369
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- Rechtspraak.nl
Proceskostenvergoeding bij intrekking hoger beroep door bestuursorgaan
De zaak betreft een verzoek tot proceskostenvergoeding nadat het bestuursorgaan het hoger beroep had ingetrokken. Verzoeker had kosten gemaakt voor rechtsbijstand in hoger beroep, waaronder het indienen van een verweerschrift en reiskosten. Het bestuursorgaan, vertegenwoordigd door het UWV, had het hoger beroep ingetrokken na een eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam.
De Raad overweegt dat op grond van artikel 21a van de Beroepswet, in combinatie met artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, het bestuursorgaan op verzoek van een partij kan worden veroordeeld tot vergoeding van proceskosten indien het hoger beroep wordt ingetrokken. De Raad acht de gemaakte kosten redelijk en begroot deze op € 644,- aan rechtsbijstandskosten en € 14,70 aan reiskosten.
Omdat het bestuursorgaan reeds door de rechtbank was veroordeeld tot vergoeding van kosten in eerste aanleg, beperkt de Raad de veroordeling tot de proceskosten van het hoger beroep. De Raad veroordeelt het bestuursorgaan tot betaling van € 658,70 aan de griffier van de Raad. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het bestuursorgaan wordt veroordeeld tot betaling van € 658,70 aan proceskosten na intrekking van het hoger beroep.