ECLI:NL:CRVB:2003:AN9721
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering ondanks verzoek tot uitleg en evenredigheidsbeginsel
Appellante ontving een WAO-uitkering die ten onrechte te hoog werd uitbetaald over de periode van 1 januari 1996 tot 1 augustus 1999. Gedaagde, het UWV, vorderde de onverschuldigde bedragen terug, waarbij een deel buiten invordering werd gesteld na bezwaar. De rechtbank Rotterdam oordeelde dat de terugvordering terecht was en dat de door appellante aangevoerde dringende redenen voor kwijtschelding niet aanwezig waren.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelt vast dat het UWV niet verplicht is voorafgaand aan terugvordering een wijziging in de uitbetaling vast te stellen bij foutieve te hoge betalingen. Tevens wordt erkend dat appellante niet betwist dat de teruggevorderde bedragen onverschuldigd zijn betaald.
Het beroep op het evenredigheidsbeginsel uit artikel 3:4 Awb Pro wordt verworpen, omdat de terugvordering van onverschuldigde uitkeringen dwingend is voorgeschreven in artikel 57, eerste lid, van de WAO. De Raad wijst ook op de mogelijkheid van het afzien van terugvordering bij dringende redenen, maar acht deze niet aanwezig. De uitspraak van de rechtbank wordt derhalve bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering en wijst het beroep van appellante af.