ECLI:NL:CRVB:2003:AN9797

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 december 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/2322 CSV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16d Coördinatiewet Sociale VerzekeringArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging aansprakelijkheid bestuurder voor niet betaalde premies door kennelijk onbehoorlijk bestuur

Appellant is hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor niet betaalde premies en een boete over de jaren 1991 tot en met 1994 door Brabant, vanwege kennelijk onbehoorlijk bestuur. De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard en de Raad bevestigt deze uitspraak.

Appellant voerde aan dat de extra wekelijkse betalingen aan werknemers, bedoeld als vergoeding voor vakantiedagen, deels verantwoord waren in de loonadministratie en dat er daarom geen sprake was van onbehoorlijk bestuur. De Raad wijst echter op het looncontrolerapport over 1992 waaruit blijkt dat een aanzienlijk bedrag aan loonbetalingen buiten de boeken is gehouden.

De berekeningen tonen aan dat ongeveer een derde van het totale loonbedrag niet is verantwoord, wat duidt op stelselmatig niet verantwoorden van loon onder leiding van appellant. Dit vormt voldoende grond voor bevestiging van de aansprakelijkheid wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur.

De Raad acht geen reden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en bevestigt het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dat appellant aansprakelijk is voor de niet betaalde premies en boete.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aansprakelijkheid van appellant voor niet betaalde premies wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur.

Uitspraak

01/2322 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 30 december 1998 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellant tegen het besluit van
22 oktober 1997, waarbij hij op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de door [naam bedrijf] te [vestigingsplaats] (hierna: Brabant) niet betaalde premies voor de sociale werknemersverzekeringswetten over de jaren 1991 tot en met 1994 tot een bedrag van fl. 293.360,06 en een opgelegde boete over de jaren 1991 tot en met 1993 ten bedrage van fl. 339.676,- in totaal fl. 633.036,06,-.
De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 8 maart 2001 het namens appellant tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Op bij aanvullend beroepschrift en nadien bij brief van 25 mei 2001 aangevoerde gronden is appellant van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 oktober 2003, waar appellant in persoon is verschenen en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. F.L.M. Schütz, werkzaam bij het UWV.
II. MOTIVERING
De feiten die in rubriek 2 van de aangevallen uitspraak zijn vermeld, worden door partijen niet betwist en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming.
Het bestreden besluit berust, voor zover van belang, op de overweging dat het niet betalen van de premies door Brabant het gevolg is van aan appellant te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur doordat in de jaren 1991 tot en met 1994 stelselmatig loonbetalingen hebben plaats gevonden zonder hiervan aan gedaagde opgave te doen.
Voor zover appellant zijn in bezwaar en beroep aangevoerde gronden in het hoger beroep heeft herhaald, kan de Raad zich vinden in de verwerping van die gronden door de rechtbank en de in de aangevallen uitspraak gegeven motivering.
Appellant heeft in hoger beroep opnieuw aangevoerd dat naast het in de loonadministratie verantwoorde weeksalaris van omstreeks fl. 600,- netto, wekelijks een bedrag van fl. 155,-- (1991) tot fl. 192,-- (1993) door Brabant aan haar werknemers (met uitzondering van één, administratieve kracht) vooruit werd betaald als vergoeding voor -kort gezegd- vakantiedagen. Deze vooruitbetalingen zou Brabant, zij het niet ten volle, in de verzamelloonstaat hebben verantwoord over de door de werknemers niet gewerkte tijdvakken, zodat, naar de Raad als standpunt van appellant begrijpt, geen sprake zou zijn geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur als bestuurder van Brabant.
In aanvulling op hetgeen de rechtbank daaromtrent in de aangevallen uitspraak heeft overwogen, wijst de Raad nog op het volgende.
Bij de looncontrole is 1992 als uitgangspunt genomen. Over dat jaar heeft, blijkens het aanvullend rapport d.d. 17 april 2000 van de looninspecteur, Brabant ongeveer 1,86 miljoen gulden aan loon opgegeven. Partijen zijn het er over eens dat een netto weekloon van fl. 600,- correspondeert met een bruto weekloon van (gemiddeld) ongeveer fl. 900,-. Ook bestaat tussen partijen overeenstemming dat in 1992 gemiddeld 46,3 werknemers gedurende 45 weken per jaar voor Brabant werkzaam waren (waarvan één administratief medewerker). Het loon voor deze administratieve kracht, de enige werknemer aan wie geen aanvullende betalingen plaats vonden, bedroeg ongeveer 35.000 gulden op jaarbasis en voor de overige werknemers was de loonsom op basis van fl. 600,- netto per week circa 45,3 x fl. 900,- x 45 (weken) afgerond 1,83 miljoen gulden. Inclusief het aan de administratieve kracht verloonde bedrag is de aldus berekende loonsom 1,87 miljoen gulden, vrijwel exact gelijk aan het door Brabant aan gedaagde opgegeven loon. Hiermee staat voor de Raad genoegzaam vast dat de extra wekelijkse betalingen, gedaagde is uitgegaan van fl. 150,-, overeenkomend met ongeveer fl. 300,- bruto per week, aan (gemiddeld) 45,3 werknemers in 1992 (in totaal gaat het daarbij dus om een bedrag van ruim 0,6 miljoen gulden, of bijna 1/3e van het verantwoorde loonbedrag) door Brabant (geheel) buiten de boeken is gehouden.
Het gaat daarbij om het onder leiding van appellant stelselmatig niet verantwoorden van een relatief en absoluut groot bedrag aan loon gedurende meerdere jaren.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 december 2003.
(get.) R.C. Schoemaker
(get.) R.E. Lysen