ECLI:NL:CRVB:2003:AN9797
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Bevestiging aansprakelijkheid bestuurder voor niet betaalde premies door kennelijk onbehoorlijk bestuur
Appellant is hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor niet betaalde premies en een boete over de jaren 1991 tot en met 1994 door Brabant, vanwege kennelijk onbehoorlijk bestuur. De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard en de Raad bevestigt deze uitspraak.
Appellant voerde aan dat de extra wekelijkse betalingen aan werknemers, bedoeld als vergoeding voor vakantiedagen, deels verantwoord waren in de loonadministratie en dat er daarom geen sprake was van onbehoorlijk bestuur. De Raad wijst echter op het looncontrolerapport over 1992 waaruit blijkt dat een aanzienlijk bedrag aan loonbetalingen buiten de boeken is gehouden.
De berekeningen tonen aan dat ongeveer een derde van het totale loonbedrag niet is verantwoord, wat duidt op stelselmatig niet verantwoorden van loon onder leiding van appellant. Dit vormt voldoende grond voor bevestiging van de aansprakelijkheid wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur.
De Raad acht geen reden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en bevestigt het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dat appellant aansprakelijk is voor de niet betaalde premies en boete.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aansprakelijkheid van appellant voor niet betaalde premies wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur.