Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2003:AN9811

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 november 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/1951 ALGEM
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid wegens overschrijding termijn bezwaarschrift

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Haarlem waarin haar bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn van zes weken voor het indienen van een bezwaarschrift. De Centrale Raad van Beroep heeft onderzocht of de termijnoverschrijding verschoonbaar was.

De Raad stelt vast dat de brief van appellante van 27 december 2001 terecht is opgevat als bezwaar tegen een nota van 2 juli 1997. De termijn van zes weken, zoals gesteld in artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, is ruimschoots overschreden. De door appellante aangevoerde gronden zijn in wezen een herhaling van eerdere argumenten en vormen geen verschoonbare reden voor de overschrijding.

Daarom kan het hoger beroep niet slagen en wordt de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb. Het geschil betreft bestuursrechtelijke procedures binnen het sociale zekerheidsrecht, waarbij de formele termijnen strikt worden gehandhaafd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/1951 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Appellante heeft op bij beroepschrift van 15 april 2003 aangevoerde gronden bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Haarlem onder dagtekening 25 maart 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Bij brieven van 24 juni 2003 (met bijlagen), 17 en 24 juli 2003 heeft appellante de gronden van het hoger beroep aangevuld.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 13 juni 2003 ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 oktober 2003, waar namens appellante is verschenen [naam directie-assistent], directie-assistent, terwijl gedaagde -met voorafgaand schriftelijk bericht- niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of gedaagde appellante bij besluit van 11 april 2002 op juiste gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het feit dat appellante bij het instellen van bezwaar de ingevolge de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gestelde termijn voor het indienen van een bezwaarschrift van zes weken, niet in acht heeft genomen, en dat niet is gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.
De Raad stelt voorop dat gedaagde de brief van appellante d.d. 27 december 2001 terecht heeft opgevat als bezwaar tegen de nota van 2 juli 1997, waarin vervat de nota slotverplichting Ziektewet. Hiervan uitgaande kan de Raad, met gedaagde en de rechtbank, niet anders concluderen dan dat de in artikel 6:7 van Pro de Awb gegeven termijn van zes weken voor het indienen van een bezwaarschrift ruimschoots is overschreden. De Raad is van oordeel dat al hetgeen appellante hieromtrent heeft aangevoerd, in essentie een herhaling van hetgeen in eerste aanleg naar voren is gebracht, geen verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding kan vormen.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termijn aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. G. van der Wiel, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 november 2003.
(get.) G. van der Wiel
(get.) R.E. Lysen