ECLI:NL:CRVB:2003:AO0641
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- J.H. van Kreveld
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Redelijkheid en billijkheid van ontslaguitkering bij verstoorde arbeidsverhoudingen
Gedaagde was sinds 1990 werkzaam bij de Erasmus Universiteit Rotterdam en maakte in 1998 een interne overstap die mislukte, wat leidde tot verstoorde arbeidsverhoudingen. Na een periode van ziekte en vrijstelling om extern werk te zoeken, werd gedaagde eervol ontslagen met een ontslaguitkering op grond van de Werkloosheidsregeling Nederlandse Universiteiten (WNU).
De rechtbank had het besluit tot toekenning van de ontslaguitkering vernietigd wegens onvoldoende feitelijke onderbouwing en gebrek aan schriftelijke verslaglegging van gesprekken. De Raad herzag dit oordeel en stelde vast dat zowel gedaagde als de werkgever een gelijk aandeel hadden in het ontstaan van de verstoorde verhoudingen.
De Raad vond dat de werkgever voldoende faciliteiten had geboden om ander werk te vinden en dat het toekennen van een uitkering op het WNU-niveau redelijk en billijk was. Het beroep van de werkgever werd gegrond verklaard, het eerdere vonnis vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de werkgever wordt ongegrond verklaard en de ontslaguitkering op grond van de WNU wordt als redelijk en billijk bevestigd.