ECLI:NL:CRVB:2003:AO1142
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WAO-uitkering na wachttijd op grond van medische en arbeidskundige gronden
De zaak betreft de weigering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) om aan gedaagde een WAO-uitkering toe te kennen na de wettelijke wachttijd van 52 weken. Het UWV baseerde zijn besluit op medische en arbeidskundige onderzoeken waaruit bleek dat gedaagde niet geschikt was voor haar laatste functie, maar wel in staat was andere passende functies te vervullen.
De rechtbank Amsterdam vernietigde dit besluit wegens onvoldoende arbeidskundige onderbouwing, met name over de gehanteerde reductiefactor bij de beoordeling van functies met verschillende arbeidsomvang. Het UWV ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat de medische beoordeling door de rechtbank juist was en verwierp de bezwaren van gedaagde tegen de medische grondslag. Ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling stelde de Raad dat de rechtbank ten onrechte de reductiefactor en het gebruik van deeltijdse functies als onvoldoende realistisch had beoordeeld. De Raad verwees naar eerdere uitspraken waarin dergelijke methoden zijn geaccepteerd.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van het UWV ongegrond, waarmee het bestreden besluit rechtens juist werd bevonden. De Raad zag geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro en sprak het vonnis uit in aanwezigheid van de voorzitter en leden.
Uitkomst: Het beroep van het UWV wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot weigering van de WAO-uitkering wordt bevestigd.