ECLI:NL:CRVB:2003:AO1146
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing algemene bijstand wegens vermogen in lijfrentepolis
Appellant, een zelfstandige ondernemer sinds 1987, diende in 1999 een aanvraag in voor algemene bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) vanwege een terugval in inkomsten. Deze aanvraag werd afgewezen omdat appellant beschikte over een lijfrentepolis met een waarde van 42.000 gulden, welke als vermogen werd aangemerkt. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat de lijfrentepolis een pensioenvoorziening betrof en dat het afkopen daarvan niet redelijk van hem kon worden verlangd. De Raad overwoog echter dat het beginsel van eigen verantwoordelijkheid voor het bestaan centraal staat in de Algemene bijstandswet (Abw). De lijfrentepolis kan niet worden gezien als noodzakelijk vermogen voor de voortzetting van het bedrijf, waardoor afkoop redelijkerwijs van appellant kan worden verlangd.
Daarnaast verwierp de Raad het bezwaar van ongelijke behandeling ten opzichte van werknemers met verplichte pensioenregelingen, omdat deze situaties niet vergelijkbaar zijn. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag algemene bijstand wordt bevestigd vanwege het bezit van een lijfrentepolis die niet als noodzakelijk vermogen wordt aangemerkt.