ECLI:NL:CRVB:2003:AO1711
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- Rechtspraak.nl
Toezending van stukken aan gemachtigde in bezwaarfase volgens artikel 6:17 Awb
In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om de vraag of het UWV verplicht was om zonder verzoek het proces-verbaal van de opsporingsambtenaar toe te zenden aan de gemachtigde van gedaagde in de bezwaarfase. De rechtbank had het beroep gegrond verklaard omdat het UWV dit proces-verbaal niet had toegezonden, wat volgens de rechtbank in strijd was met artikel 6:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het UWV stelde in hoger beroep dat de rechtbank de reikwijdte van artikel 6:17 Awb Pro te ruim had geïnterpreteerd en dat er geen verplichting bestond om zonder verzoek alle stukken die aan het primaire besluit ten grondslag liggen toe te zenden. De Raad onderschreef dit standpunt en verwees naar eerdere jurisprudentie waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen de bezwaarfase en de beroepsfase bij de rechtbank.
De Raad overwoog dat in de bezwaarfase het bestuursorgaan verplicht is om de gemachtigde de voor de belanghebbende bestemde berichten toe te zenden die na de aanvang van de bezwaarprocedure worden verzonden, maar dat inzage en afschrift van stukken op verzoek mogelijk is, tenzij geheimhouding dit verhindert. Omdat gedaagde niet binnen de gestelde termijn gronden had ingediend en het verzoek om uitstel niet tijdig was ontvangen, was het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.
De Centrale Raad vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van het UWV ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd.