ECLI:NL:CRVB:2003:AO4499
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.R. Rottier
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Beoordeling lengte fictieve opzegtermijn volgens Werkloosheidswet en UTA-CAO
Gedaagde was sinds 1979 in dienst als financieel/administratief medewerkster. De arbeidsovereenkomst werd op 31 maart 1999 ontbonden door de kantonrechter. Naar aanleiding van haar aanvraag voor een WW-uitkering stelde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) dat geen uitkering toekwam tot 1 september 1999, omdat de fictieve opzegtermijn op 31 augustus 1999 eindigde, gebaseerd op een opzegtermijn van zes maanden uit de UTA-CAO.
De rechtbank Arnhem oordeelde echter dat de fictieve opzegtermijn drie maanden bedroeg, omdat de UTA-CAO niet algemeen verbindend was verklaard en niet vaststond dat deze op de arbeidsovereenkomst van toepassing was. Appellant (Uwv) stelde in hoger beroep dat de UTA-CAO wel van toepassing was, maar kon dit niet onderbouwen met voldoende bewijs, mede omdat de werkgever inmiddels niet meer bestond en geen informatie kon worden verkregen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank en stelde vast dat appellant onvoldoende had aangetoond dat de UTA-CAO op de arbeidsovereenkomst van toepassing was. De Raad bepaalde het einde van de fictieve opzegtermijn op 30 juni 1999 en veroordeelde appellant tot betaling van de proceskosten van gedaagde in hoger beroep.
Uitkomst: De fictieve opzegtermijn wordt vastgesteld op drie maanden en het bestreden besluit van het Uwv wordt vernietigd.