ECLI:NL:CRVB:2003:AO5275
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- D.J. van der Vos
- Ch.J.G. Olde Kalter
- Rechtspraak.nl
Vaststelling arbeidsongeschiktheid en loonbegrip bij WAO-uitkering
Appellant, voormalig voltijds buschauffeur, werd vanaf 1 juli 1981 gedeeltelijk arbeidsongeschikt verklaard en ontving een WAO-uitkering. Na diverse herzieningen werd zijn arbeidsongeschiktheid vastgesteld tussen 35 en 45 procent, gebaseerd op een berekening van feitelijke verdiensten die onder meer een bedrag van 300 gulden aan sociaal loon omvatte.
Appellant betwistte in hoger beroep dat dit bedrag terecht werd meegerekend, omdat het geen tegenprestatie voor arbeid vormt. De bezwaararbeidsdeskundige bevestigde dat dit bedrag ten onrechte in de berekening was betrokken, maar handhaafde het percentage arbeidsongeschiktheid vanwege de pensioenpremiecomponent.
De Raad oordeelde dat volgens de geldende rechtspraak bij de vaststelling van arbeidsongeschiktheid een gelijk loonbegrip moet worden gehanteerd en dat de werkgeversbijdrage in pensioenpremie buiten beschouwing blijft tenzij deze meer dan evenredig is. Ook werd bevestigd dat het sociaal loon niet tot de feitelijke verdiensten behoort.
Daarom berustte de schatting van de arbeidsongeschiktheid op een onjuiste grondslag, en werd het bestreden besluit vernietigd. De Raad gelastte een nieuw besluit met inachtneming van deze overwegingen en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en gemaakte reiskosten.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het UWV dient een nieuw besluit te nemen met correcte loonberekening, waarbij sociaal loon en pensioenpremie correct worden behandeld.