ECLI:NL:CRVB:2003:AQ6585
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.G.M. Simons
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering en afwijzing bijzondere bijstand wegens onvoldoende bijzondere omstandigheden
Appellant ontving een bijstandsuitkering die per 8 juni 1998 werd ingetrokken vanwege het feit dat hij toen was gaan werken. Tevens werd het te veel betaalde bedrag over die periode teruggevorderd. Appellant had daarnaast een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor woninginrichting, welke werd afgewezen omdat er geen sprake was van bijzondere omstandigheden die noodzakelijke kosten veroorzaakten.
De Raad oordeelde dat de terugvordering terecht was op grond van artikel 81, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw), omdat het besluit waarop de bijstand was gebaseerd onherroepelijk was en de bijstand onterecht was verleend. Er waren geen dringende redenen aanwezig om van terugvordering af te zien, aangezien appellant alleen schulden aanvoerde, wat niet als bijzondere omstandigheid wordt beschouwd.
Ten aanzien van de bijzondere bijstand stelde de Raad vast dat kosten van woninginrichting in principe uit het inkomen moeten worden betaald, tenzij bijzondere omstandigheden dit onmogelijk maken. Appellant had de ontruiming kunnen voorzien en maatregelen kunnen treffen om verlies van inboedel te voorkomen. Schulden en het ontbreken van reserveringsruimte zijn geen bijzondere omstandigheden die recht geven op bijzondere bijstand.
De Raad benadrukte dat de bestuursrechter niet gebonden is aan het beleid van het bestuursorgaan en een eigen oordeel moet vormen over de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden. De aangevallen uitspraak werd bevestigd, waarbij de Raad de motivering verbeterde. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van te veel betaalde bijstand en wijst de aanvraag bijzondere bijstand af wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.