ECLI:NL:CRVB:2003:BC6871
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- J.H. van Kreveld
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtsgeldigheid ontslag ambtenaar onder druk en psychische toestand
Appellant, een ambtenaar bij de gemeente Almere, werd verdacht van betrokkenheid bij vermissingen binnen zijn afdeling. Tijdens gesprekken in maart 2000 is hij geïnformeerd over de verdenkingen en kreeg hij de mogelijkheid om zelf ontslag te nemen. Appellant deed daarop een ontslagverzoek met ingang van 1 oktober 2000.
Appellant stelde dat hij psychisch niet in staat was zijn wil te bepalen en dat de werkgever ongeoorloofde druk op hem had uitgeoefend. De Raad oordeelde echter dat appellant onvoldoende bewijs leverde voor zijn psychische toestand op dat moment. Medische rapporten die appellant aanvoerde waren laat ingediend en betroffen periodes na het ontslagverzoek. De bedrijfsarts had vastgesteld dat appellant wel in staat was zijn wil te bepalen.
De Raad vond dat de werkgever terecht het ontslagverzoek als geldig beschouwde en dat er geen sprake was van ongeoorloofde druk. Appellant kreeg bedenktijd en kon juridisch advies inwinnen. Het hoger beroep werd verworpen en het ontslagbesluit bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het ontslagbesluit bevestigd.