ECLI:NL:CRVB:2004:AO1706
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Verschoonbare termijnoverschrijding en bewijslast bij betalingen aan niet met name genoemde personen
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan over een geschil tussen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) en een gedaagde over correctienota's en boetenota's betreffende de jaren 1994 tot en met 1998. De rechtbank Rotterdam had eerder het beroep van gedaagde gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.
De Raad oordeelde dat de termijnoverschrijding voor het indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar was vanwege een ongeclausuleerde mededeling van appellant over een nieuwe bezwaartermijn. Tevens werd vastgesteld dat appellant zich niet redelijkerwijs kon baseren op de stelling dat betalingen aan niet met name genoemde personen premieplichtige loonbetalingen waren, omdat gedaagde aannemelijk had gemaakt dat het ging om gebruikelijke handgelden en bedrijfsinventaris waarvoor geen aankoopnota's bestonden.
De Raad bevestigde het eerdere oordeel en veroordeelde appellant tot betaling van de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. De zaak benadrukt de bewijslastverdeling bij loonbetalingen en de noodzaak van voldoende bewijs voor premieplichtige betalingen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is en dat appellant zich niet redelijkerwijs op premieplichtige loonbetalingen kon baseren, en veroordeelt appellant in de proceskosten.