Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AO2044

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 januari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/1627 CSV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • R.C. Schoemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 8:55 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens termijnoverschrijding

Opposante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam, maar dit hoger beroep werd door de Raad van 26 juni 2003 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn van zes weken. Tegen deze beslissing werd een verzetschrift ingediend. Tijdens de zitting op 10 december 2003 verscheen alleen opposante met gemachtigde; geopposeerde was niet vertegenwoordigd.

De Raad overwoog dat geen verschoonbare redenen waren voor de termijnoverschrijding. De gemachtigde voerde aan dat hij vanwege ziekte op de laatste dag van de termijn zijn werkzaamheden niet kon verrichten en daardoor het beroepschrift te laat indiende. De Raad vond deze stelling onvoldoende onderbouwd en oordeelde dat er geen aannemelijke reden was om het verzuim te verontschuldigen, ook niet door het ontbreken van personeel in de praktijk van de gemachtigde.

Daarom werd het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring ongegrond verklaard. De Raad zag geen aanleiding om af te wijken van de eerdere uitspraak en vond geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb. De uitspraak werd op 9 januari 2004 door voorzitter R.C. Schoemaker uitgesproken.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/1627 CSV
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposante], gevestigd te [woonplaats], opposante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij uitspraak van de Raad van 26 juni 2003 is het door mr. R.E. Faijdherbe, advocaat te Weesp, namens opposante ingestelde hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 februari 2003, reg. nr. 02/727 CSV, niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft mr. R.E. Faijdherbe een verzetschrift ingediend.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 10 december 2003, waar opposante bij gemachtigde is verschenen en geopposeerde, zoals tevoren bericht, zich niet heeft doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De uitspraak van de Raad van 26 juni 2003 steunt kort samengevat hierop, dat het bij het instellen van het hoger beroep de termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift niet in acht is genomen en dat geen aanknopingspunten zijn gevonden om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
In geding is de vraag of het hoger beroep van opposante terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in zijn genoemde uitspraak gegeven.
In aansluiting op hetgeen in die uitspraak is overwogen merkt de Raad op dat ook op grond van het verzetschrift redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat gemachtigde van opposante niet in verzuim is geweest.
Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van opposante benadrukt dat hij zijn rechtspraktijk zonder personeel uitoefent en dat hij op de (voor)laatste dag van termijn wegens ziekte zijn werkzaamheden niet heeft kunnen verrichten en eerst één dag na het verstrijken van de termijn het beroepschrift heeft kunnen indienen. Naar de mening van de gemachtigde mag het enkele feit dat hij zijn praktijk zonder personeel uitoefent geen grond vormen om opposante in haar rechten te beknotten.
De Raad is van oordeel dat gemachtigde van opposante niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij wegens ziekte zijn werkzaamheden niet heeft kunnen verrichten en dat hij dientengevolge redelijkerwijs niet in staat is geweest binnen de beroepstermijn hoger beroep in te stellen, al was het maar door het indienen van een voorlopig beroepschrift. Hij heeft zijn stelling dat hij zijn werkzaamheden niet heeft kunnen verrichten vanwege ziekte niet onderbouwd.
Gelet op het vorenstaande moet het verzet met toepassing van artikel 8:55, vijfde lid, onder b, van de Awb ongegrond worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2004.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.E. Lysen.