ECLI:NL:CRVB:2004:AO2044
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.C. Schoemaker
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens termijnoverschrijding
Opposante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam, maar dit hoger beroep werd door de Raad van 26 juni 2003 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn van zes weken. Tegen deze beslissing werd een verzetschrift ingediend. Tijdens de zitting op 10 december 2003 verscheen alleen opposante met gemachtigde; geopposeerde was niet vertegenwoordigd.
De Raad overwoog dat geen verschoonbare redenen waren voor de termijnoverschrijding. De gemachtigde voerde aan dat hij vanwege ziekte op de laatste dag van de termijn zijn werkzaamheden niet kon verrichten en daardoor het beroepschrift te laat indiende. De Raad vond deze stelling onvoldoende onderbouwd en oordeelde dat er geen aannemelijke reden was om het verzuim te verontschuldigen, ook niet door het ontbreken van personeel in de praktijk van de gemachtigde.
Daarom werd het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring ongegrond verklaard. De Raad zag geen aanleiding om af te wijken van de eerdere uitspraak en vond geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb. De uitspraak werd op 9 januari 2004 door voorzitter R.C. Schoemaker uitgesproken.
Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.