ECLI:NL:CRVB:2004:AO2555
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- J.Th. Wolleswinkel
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van verhoging maandelijkse aflossing studieschuld ondanks vertrouwen appellant
Appellant heeft een studieschuld opgebouwd van ¦ 25.111,- door renteloze voorschotten uit hoofde van de Regeling rijksstudietoelagen. Gedaagde heeft bij besluit van 6 december 2000 de maandelijkse aflossing voor 2001 vastgesteld op ¦ 310,05, gebaseerd op de draagkracht van appellant in 1999. Appellant stelde in hoger beroep dat hij erop mocht vertrouwen dat de aflossing niet hoger zou zijn dan ¦ 209,25, het 1/120ste deel van de oorspronkelijke schuld, en dat het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel waren geschonden.
De Raad overweegt dat artikel 49 van Pro de Wet op de studiefinanciering (WSF) niet letterlijk toepasbaar is op renteloze voorschotten onder artikel 141 WSF Pro, omdat de aflosfase niet wettelijk is bepaald. De Raad interpreteert artikel 49 teleologisch Pro en volgt de uitleg van gedaagde dat verhoging van de maandelijkse termijnen mogelijk is indien minder dan 1/120ste deel is afgelost. Het beroep op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel faalt, omdat appellant geen concrete toezeggingen kon aantonen.
De Raad bevestigt het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond. Tevens acht de Raad geen gronden voor proceskostenveroordeling. De studieschuld van appellant is volgens de uitvoeringspraktijk inmiddels op nihil gesteld.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd dat de maandelijkse aflossing hoger mag zijn dan 1/120ste deel van de oorspronkelijke schuld.