ECLI:NL:CRVB:2004:AO6268
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- O.J.D.M.L. Jansen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens onvoldoende medisch onderzoek en motivering
Appellante is in hoger beroep gekomen tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) dat een werknemer een WAO-uitkering toekende met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 tot 35%. De rechtbank had het bezwaar ongegrond verklaard, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was. De verzekeringsarts had onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe de geconstateerde onbeperkte rug- en heupfunctie zich verhoudt tot de door de werknemer geuite klachten en de vastgestelde beperkingen.
De Raad stelt dat het bestreden besluit strijdig is met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vanwege een gebrek aan een volledig medisch onderzoek en onvoldoende motivering. De uitspraak van de rechtbank, die het besluit in stand liet, wordt eveneens vernietigd. Het Uwv dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen waarbij rekening wordt gehouden met de overwegingen van de Raad.
Daarnaast bespreekt de Raad de toepassing van artikel 28 van Pro de WAO, dat ziet op situaties waarin een werknemer zijn genezing heeft belemmerd. De Raad oordeelt dat dit artikel van toepassing is op de gehele periode van arbeidsongeschiktheid, inclusief de toedracht, en dat het Uwv dit in de nieuwe beslissing moet betrekken. Tot slot veroordeelt de Raad het Uwv in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot toekenning van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het Uwv dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen.