Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AO6347

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 maart 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/2326 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering terugkomen op gemeentelijke toeslag bijstand

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Dordrecht waarin het verzoek om een hogere gemeentelijke toeslag bijstand werd afgewezen. De gemeente had aanvankelijk een toeslag van 15% toegekend, terwijl appellant meende recht te hebben op 20% vanwege het niet kunnen delen van kosten met een ander.

Appellant stelde dat hij reeds vanaf 1 mei 1996 niet meer bij zijn moeder woonde, maar een eigen huishouding voerde in een andere gemeente, wat volgens hem recht gaf op een hogere toeslag. De gemeente weigerde echter terug te komen op het eerdere besluit op grond van artikel 4:6 Awb Pro, omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren aangevoerd.

De Raad oordeelde dat het aangevoerde geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden betrof, maar een argument dat eerder ingebracht had kunnen worden. Daarom was de weigering tot herziening terecht en is het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om terug te komen op het besluit tot toekenning van een gemeentelijke toeslag van 15% in plaats van 20% wordt bevestigd en afgewezen.

Uitspraak

01/2326 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], thans wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op de bij het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 9 maart 2001, reg.nr. AWB 99/1045, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is, gevoegd met het geding met het reg.nr. 02/3201 NABW, behandeld ter zitting van 28 januari 2004, waar appellant in persoon is verschenen en gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A. Kleijn, werkzaam bij de gemeente Dordrecht.
Na de sluiting van het onderzoek heeft de Raad de gevoegde gedingen gesplitst.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 3 juni 1996 heeft gedaagde aan appellant met ingang van 1 mei 1996 een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet toegekend naar de norm voor een alleenstaande, verhoogd met een gemeentelijke toeslag van 15% van het minimumloon wegens het gedeeltelijk kunnen delen van de noodzakelijke bestaanskosten met een ander. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden.
Bij schriftelijk verzoek van 19 januari 1999 heeft appellant gedaagde verzocht aan hem over de periode van 1 mei 1996 tot en met 8 juli 1998 alsnog een gemeentelijke toeslag van 20% in plaats van 15% toe te kennen.
Bij primair besluit van 4 maart 1999, in bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 14 oktober 1999, heeft gedaagde met toepassing van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geweigerd terug te komen van het besluit van 3 juni 1996.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
De Raad overweegt, overeenkomstig zijn inmiddels vaste rechtspraak terzake, het volgende.
Op grond van artikel 4:6 van Pro de Awb mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen, worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.
Bij het verzoek van 19 januari 1999 heeft appellant aangevoerd dat aan hem - aansluitend op de bijstandsverlening door gedaagde - met ingang van 9 juli 1998 in de gemeente Baarle-Nassau een bijstandsuitkering is toegekend naar de norm voor een alleenstaande, verhoogd met een gemeentelijke toeslag van 20% van het minimumloon wegens het niet gedeeltelijk kunnen delen van de noodzakelijke bestaanskosten met een ander. Appellant heeft daarbij gesteld dat hij reeds op 1 mei 1996 niet bij zijn moeder in Dordrecht woonde, maar in de gemeente Baarle-Nassau, waar hij een eigen huishouding voerde. Hierdoor heeft hij ook in de periode van 1 mei 1996 tot en met 8 juli 1998 de noodzakelijke bestaanskosten niet gedeeltelijk kunnen delen met een ander, zodat de door gedaagde aan hem over die periode toegekende gemeentelijke toeslag 5% hoger had moeten zijn.
De Raad stelt vast dat het hierbij niet gaat om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb, maar - hooguit - om een argument dat in het kader van een bezwaarschriftprocedure tegen het besluit van 3 juni 1996 naar voren had kunnen gebracht.
Gedaagde was dan ook bevoegd om op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 3 juni 1996, zoals gedaagde ook heeft gedaan. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen aanspraak.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. J.G. Treffers en mr. M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2004.
(get.) Th.G.M. Simons
(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg
MvK22034