ECLI:NL:CRVB:2004:AO8384
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang in bestuursrechtelijke premiegeschil
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) stelde dat gedaagde voor een bedrijf in een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding werkzaam was geweest en dat het bedrijf premies had moeten afdragen. Na een besluit van 6 december 1999 verklaarde UWV het bezwaar van gedaagde ongegrond. Gedaagde stelde bezwaar en beroep in, maar de rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang.
Het UWV stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Tijdens de zitting verscheen het UWV vertegenwoordigd, maar gedaagde was niet aanwezig. De Raad overwoog dat het UWV geen concreet belang bij het hoger beroep had, omdat het ging om een principekwestie en niet om een direct aan het geschil gerelateerd belang.
De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang en veroordeelde het UWV in de proceskosten van gedaagde. Tevens werd een griffierecht opgelegd aan het UWV.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt veroordeeld in de proceskosten.