ECLI:NL:CRVB:2004:AO8691

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 april 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/3660 ALGEM
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 sociale werknemersverzekeringswettenArt. 3 Koninklijk Besluit van 24 december 1986Art. 3 sociale werknemersverzekeringswettenArt. 7:690 BWArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging privaatrechtelijke dienstbetrekking bij uitzendovereenkomst en premieplicht sociale verzekeringen

In deze zaak staat centraal of de werkzaamheden van zeven personen via appellante zijn verricht in het kader van een privaatrechtelijke dienstbetrekking of als zelfstandige ondernemers. De Raad stelt vast dat de betrokkenen onder toezicht en leiding van een derde, [naam bedrijf], hebben gewerkt en dat zij persoonlijk arbeid hebben verricht waarvoor zij loon ontvingen van appellante.

Voor de periode tot 1 januari 1999 baseert gedaagde de premieplicht op artikel 5 van Pro de sociale werknemersverzekeringswetten en het Koninklijk Besluit van 24 december 1986. Vanaf 1 januari 1999 is artikel 7:690 BW Pro van toepassing, waarin de uitzendovereenkomst wordt gekwalificeerd als een privaatrechtelijke dienstbetrekking in een driepartijenrelatie.

De Raad oordeelt dat aan alle vereisten van artikel 7:690 BW Pro is voldaan: persoonlijke arbeidsverrichting, loonbetaling en gezagsverhouding. Hierdoor is appellante premies verschuldigd over de betalingen aan de betrokkenen. Het primaire standpunt van gedaagde wordt bevestigd en het subsidiaire standpunt blijft achterwege.

De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, waarbij de Raad geen aanleiding ziet voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De Raad verwijst tevens naar de ministeriële toelichting die de driepartijenrelatie en de kenmerken van de uitzendovereenkomst verduidelijkt.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de betrokkenen in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stonden en dat appellante premies sociale verzekeringen verschuldigd is.

Uitspraak

01/3660 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[BV X. te Y.], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 19 oktober 1999 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen het besluit van 11 juni 1999, waarbij gedaagde haar heeft medegedeeld dat met betrekking tot de werkzaamheden die zeven met name genoemde personen voor appellante bij een derde hebben verricht, sprake is van verzekeringsplichtige arbeid en dat appellante premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten verschuldigd is over de gedane betalingen.
De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 18 mei 2001 (verzonden 29 mei 2001) het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen in stand blijven en beslissingen gegeven omtrent de proceskosten en het griffierecht.
Namens appellante is mr. P.T.M. van Loon, werkzaam bij Accountants en belastingadviseurs Berk te Breda, bij brief van 4 juli 2001 - met bijlagen - van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 26 februari 2004, waar voor appellante is verschenen mr. Van Loon, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. F.L.M. Schütz, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
In geding is de vraag of de werkzaamheden van de zeven eerder bedoelde personen zijn verricht in het kader van de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep, dan wel in een privaatrechtelijke dienstbetrekking of een daarmee gelijk te stellen arbeidsverhouding.
De Raad gaat uit van de volgende, niet bestreden, feiten.
De zeven betrokken personen verrichtten gedurende een deel van het jaar - vanaf week 44 in het jaar 1998 tot en met januari 1999 - via appellante werkzaamheden bij "[naam bedrijf]", bestaande uit het spoelen van bloembollen. Daarnaast zijn betrokkenen zelfstandig ondernemer, elk van hen heeft, zelf of in vennootschap met anderen, een bedrijf in de bloemen- en bollensector.
Ten aanzien van de periode tot 1 januari 1999 baseert gedaagde de premieplicht op artikel 5, aanhef en onder d, van de sociale werknemersverzekeringswetten, gelezen in samenhang met artikel 3 van Pro het Koninklijk Besluit van 24 december 1986, Stb. 665 (hierna: het KB). Voor de periode daarna beroept gedaagde zich primair op artikel 3 van Pro de sociale werknemersverzekeringswetten. Per 1 januari 1999 is namelijk artikel 7:690 BW Pro in werking getreden. In dat artikel is bepaald dat de uitzendovereenkomst is de arbeidsovereenkomst waarbij de werknemer door de werkgever, in het kader van de uitoefening van het beroep of bedrijf van de werkgever ter beschikking wordt gesteld van een derde om krachtens een door deze aan de werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van de derde. Vanaf 1 januari 1999 moet de uitzendovereenkomst daarom volgens gedaagde worden aangemerkt als een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Subsidiair is gedaagde van mening dat voor deze periode de premieplicht tevens gebaseerd kan worden op genoemd artikel 3 van Pro het KB.
Met betrekking tot de vraag of er voor 1 januari 1999 sprake is van premieplicht wegens een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding gebaseerd op artikel 3 van Pro het KB is in geschil of de werkzaamheden door betrokkenen zijn uitgevoerd in het kader van de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep. Naar het oordeel van de Raad kan daarvan niet gesproken worden. Uit de gedingstukken blijkt dat de betrokkenen de werkzaamheden hebben verricht onder toezicht en leiding van [naam bedrijf]. Het feit dat betrokkenen onder toezicht en leiding werkzaam waren, spoort naar het oordeel van de Raad niet met het werkzaam zijn als zelfstandige of in de zelfstandige uitoefening van een beroep. Nu ook voldaan is aan de overige vereisten van artikel 3 van Pro het KB, moet de conclusie luiden dat betrokkenen werkzaam waren in een (fictieve) dienstbetrekking tot appellante.
De vraag of betrokkenen, gezien het artikel 7:690 BW Pro, vanaf 1 januari 1999 eveneens werkzaam waren in een privaatrechtelijke dienstbetrekking beantwoordt de Raad bevestigend. Naar het oordeel van de Raad moet genoemde bepaling aldus worden uitgelegd, dat de drie vereisten voor het aanwezig achten van een privaatrechtelijke dienstbetrekking - namelijk de verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting, de verplichting tot loonbetaling en het bestaan van een gezagsverhouding - gevonden moeten worden in de driepartijen relatie die kenmerkend is voor een uitzendovereenkomst. De Raad wijst daarbij op de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 oktober 1997 (Commentaar op de aanbevelingen van de Werkgroep Ontslagrecht van de Vereniging voor Arbeidsrecht) waarin de Minister onder andere schrijft:
"Naar mijn mening is de huidige redactie van artikel 690 voldoende Pro duidelijk. In dit artikel wordt de uitzendovereenkomst gedefinieerd als een bijzondere arbeidsovereenkomst. Immers, er wordt gewerkt in een driehoeksrelatie (werkgever/werknemer/derde):
- er wordt in het kader van die driehoeksrelatie arbeid verricht op basis van de kenmerkende elementen van een arbeidsovereenkomst t.w. gezagsverhouding, arbeid en loon. Echter wat betreft de elementen gezagsverhouding en arbeid geldt:
- dat de werknemer in het kader van het beroep of bedrijf van de werkgever voor het verrichten van de bedongen arbeid aan een derde ter beschikking wordt gesteld, waarbij de werknemer werkt onder toezicht en leiding van die derde."
Niet in geding is dat betrokkenen persoonlijk de arbeid hebben verricht en dat zij van appellante hun betalingen voor de geleverde arbeidsprestatie hebben ontvangen. Zoals hierboven reeds weergegeven staat het voor de Raad ook voldoende vast dat betrokkenen onder toezicht en leiding van [naam bedrijf] werkzaam zijn geweest, waardoor tevens sprake is van een gezagsrelatie. Daaruit moet, naar het oordeel van de Raad, geconcludeerd worden dat is voldaan aan alle vereisten van artikel 7:690 BW Pro, zodat vastgesteld moet worden dat betrokkenen in een privaatrechtelijke dienstbetrekking, zoals bedoeld in artikel 3 van Pro de sociale werknemersverzekeringswetten, stonden tot appellante. Derhalve is appellante premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten verschuldigd over de aan betrokkenen gedane betalingen.
Nu reeds het primaire door gedaagde ingenomen standpunt gehandhaafd kan blijven, komt de Raad niet toe aan het subsidiair gestelde. In dit geding ten overvloede overweegt de Raad echter dat ook dit standpunt, gezien het hiervoor overwogene wat betreft de periode tot 1 januari 1999, gehandhaafd had kunnen blijven.
Vorenstaande overwegingen leiden ertoe dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. H.C. Cusell als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2004.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.E. Lysen.