ECLI:NL:CRVB:2004:AO8691
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- H.C. Cusell
- Rechtspraak.nl
Bevestiging privaatrechtelijke dienstbetrekking bij uitzendovereenkomst en premieplicht sociale verzekeringen
In deze zaak staat centraal of de werkzaamheden van zeven personen via appellante zijn verricht in het kader van een privaatrechtelijke dienstbetrekking of als zelfstandige ondernemers. De Raad stelt vast dat de betrokkenen onder toezicht en leiding van een derde, [naam bedrijf], hebben gewerkt en dat zij persoonlijk arbeid hebben verricht waarvoor zij loon ontvingen van appellante.
Voor de periode tot 1 januari 1999 baseert gedaagde de premieplicht op artikel 5 van Pro de sociale werknemersverzekeringswetten en het Koninklijk Besluit van 24 december 1986. Vanaf 1 januari 1999 is artikel 7:690 BW Pro van toepassing, waarin de uitzendovereenkomst wordt gekwalificeerd als een privaatrechtelijke dienstbetrekking in een driepartijenrelatie.
De Raad oordeelt dat aan alle vereisten van artikel 7:690 BW Pro is voldaan: persoonlijke arbeidsverrichting, loonbetaling en gezagsverhouding. Hierdoor is appellante premies verschuldigd over de betalingen aan de betrokkenen. Het primaire standpunt van gedaagde wordt bevestigd en het subsidiaire standpunt blijft achterwege.
De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, waarbij de Raad geen aanleiding ziet voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De Raad verwijst tevens naar de ministeriële toelichting die de driepartijenrelatie en de kenmerken van de uitzendovereenkomst verduidelijkt.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de betrokkenen in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stonden en dat appellante premies sociale verzekeringen verschuldigd is.