ECLI:NL:CRVB:2004:AO9046
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand advocaatkosten wegens ontbreken noodzakelijkheid
Appellant verzocht bijzondere bijstand voor advocaatkosten, welke door het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam werd afgewezen omdat geen toevoeging door de Raad van Rechtsbijstand was verleend. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd eveneens ongegrond verklaard door het college. De rechtbank bevestigde deze beslissing, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat het besluit van het college in strijd was met het motiveringsvereiste van artikel 7:12 Awb Pro en vernietigde daarom het besluit en de uitspraak van de rechtbank. Desondanks besloot de Raad op grond van artikel 8:72 Awb Pro de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de advocaatkosten noodzakelijk waren.
Uit de stukken bleek dat appellant een advocaat had ingeschakeld om een aangifte tegen politieambtenaren te bewerkstelligen, met het oog op een mogelijke procedure op grond van artikel 12 Sv Pro. De Raad stelde vast dat eerdere pogingen daartoe zonder succes waren geweest en dat de kosten daarom niet als noodzakelijk konden worden aangemerkt. De Raad wees bijzondere bijstand af, vernietigde het eerdere besluit, maar bepaalde dat het betaalde griffierecht aan appellant werd vergoed.
Uitkomst: De bijzondere bijstand voor advocaatkosten wordt afgewezen, het besluit wordt vernietigd maar de rechtsgevolgen blijven in stand.